De raven komen eraan

Godsdienstwaan is een favoriet thema van Robert Haasnoot (1961). De Katwijkse schrijver publiceerde vijf jaar geleden Waanzee, een later voor toneel bewerkte roman waarin een matroos de opvarenden van een vissersboot meesleept naar het eind der tijden. In 2002 verbond hij in Steenkind het schuldgevoel van de jonge hoofdpersoon met diens ongezonde fascinatie voor het gereformeerde geloof van zijn tantes. En nu is er De heugling, over een begin-twintigste-eeuwse kroniekschrijver die het middelpunt is van een aantal omineuze gebeurtenissen in zijn streng (bij)gelovige dorpsgemeenschap.

Je kunt Waanzee, Steenkind en De heugling beschouwen als een trilogie. De zee en de waan spelen in alledrie de boeken een belangrijke rol en de plaats van handeling is Zeewijk, een fictief duindorp `met een geschiedenis die al eeuwenlang gekleurd wordt door het grauwe, calvinistische geloof. En door bijgeloof natuurlijk.' Deze laatste zinnen zijn van Johan Castelijne, een schilder die werkt in de naar Katwijk gemodelleerde gemeenschap en die grote gelijkenis vertoont met de historische Jan Toorop. Want De heugling is ook een beetje een sleutelroman, waarin niet alleen Toorop en de sociaal bewuste (toneel)schrijver Herman Heijermans onder een andere naam optreden, maar waarin ook de bestaande Villa Allegonda een rol speelt. Het huis op het duin werd tijdens de Eerste Wereldoorlog kubistisch verbouwd door J.P. Oud en werd meermaals bezocht door de filmregisseur Alfred Hitchcock.

In dat licht is het niet meer dan logisch dat De heugling qua sfeer erg aan het Hitchcock-meesterwerk The Birds doet denken. Al op de vierde bladzij ziet de verteller twee raven bij de vloedlijn neerstrijken, als `verspieders' van een zwerm die niet lang daarna neerstrijkt op de toren van de Grote Kerk. De raven worden aangetrokken door de sappige duinkonijnen die versuft rondlopen als gevolg van een geheimzinnige ziekte (vergelijkbaar met de myxomatose die voorkomt in Wolkers' boekenweekgeschenk Zomerhitte); maar in de ogen van de dorpsbewoners zijn ze de gezanten van God of de Duivel, en hoe dan ook de aanzeggers van groot onheil – dat natuurlijk al gauw komt. `Ik heb gehoord dat ze dromen kunnen binnendringen', zegt iemand tegen de verteller. Maar die wordt al opgeslorpt door een ander dorpsraadsel: verschillende mensen die allemaal dezelfde droom over een ontzagwekkende duinpan hebben.

De ikfiguur acht het zijn taak om alle angstaanjagende gebeurtenissen in het dorp te boekstaven; hij is immers de `heugling', de laatste van een geslacht van observators en chroniqueurs die sinds de Middeleeuwen in het heden `een mogelijke samenhang met vroegere gebeurtenissen [proberen] te ontdekken.' Alles doorgaans in dienst van de notabelen, met wie de heuglingen verbonden zijn door `een eeuwenlang zwijgen over onvergeeflijke wreedheden, in ruil voor het schrijven van goed beloonde annalen.' Maar dit keer zal de heugling niemand sparen, schrijft hij, want `nu ons geslacht met mij zal uitsterven, moet de waarheid zegevieren.' Zijn `memoriaal' is deels een verslag, deels een biecht, en deels een open brief aan een mededorpsbewoner, die in de gevangenis zit omdat hij de schuld heeft gekregen van een van de misdaden die die winter in Zeewijk gepleegd zijn.

Het is dus de stem van de ikfiguur waarmee we in De heugling vooral geconfronteerd worden. Een onbetrouwbare verteller, zo blijkt tegen het einde van het boek; en, wat al veel sneller duidelijk wordt, een gefrustreerd man die even preuts en hypocriet is als zijn mededorpelingen. Hij grossiert in ouderwetse woorden (peken, doodstroom, spinde, minnestralen, klijn, keesjak) en in clichés als `Soms regeert het kwaad, terwijl je je omgeven waant door het goede' en `Zelden vergaat het de mens zoals hij hoopt of verwacht.' Hij is dol op vooruitwijzingen en zinnetjes als `zoals je weet...' En dan is hij ook nog gepokt en gemazeld in de tale Kanaäns en slaat hij de lezer om de oren met citaten uit de Psalmen die steevast afgesloten worden met het woordje sela. Zijn memoriaal maakt kortom een gekunstelde indruk.

Iedere schrijver, en dus ook Robert Haasnoot, heeft het volste recht om zijn verhaal in handen te geven van een onbeholpen, om niet te zeggen bij vlagen vervelende ikfiguur. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat juist die enigszins hinderlijke verteller de reden is dat Haasnoots nieuwe roman mij minder raakte dan Steenkind (dat is geschreven in de bedrieglijk simpele taal van een 15-jarige jongen). Want voor het overige is De heugling een waardige afsluiting van het Zeewijk-drieluik. De verstikkendheid van het geloof en de dwarsverbanden met bijgeloof zijn opnieuw voelbaar gemaakt, terwijl de gotische sfeer van een alledaags horror-verhaal goed is getroffen. Bovendien wisselt de schrijver aan het eind van de roman op een even spannende als filmische manier de twee belangrijkste lijnen van zijn verhaal af. De heugling mag dan door de stroeve vertelstem niet het beste boek zijn om mee te beginnen als je kennis wilt maken met de nog te weinig bekende Robert Haasnoot, oude fans zullen zich er niet door laten afschrikken.

Robert Haasnoot: De heugling. De Geus, 222 blz. €18,90 (geb.).