De kern van de kul

Wat is bullshit precies, en waarom is er zoveel van? Harry G. Frankfurt, emeritus hoogleraar filosofie van de universiteit van Princeton, buigt zich over die vraag in zijn jongste publicatie On Bullshit. Frankfurt concentreert zich op een filosofische ontleding van het begrip, dat zoveel betekent als `kletskoek' of, wat meer in stijl, `gelul'. Met hulp van verschillende woordenboeken en de taalfilosofie van Wittgenstein komt hij tot de voorlopige conclusie dat kletspraat wordt gekenmerkt door achteloosheid, dat wil zeggen: een gebrek aan vakmanschap en oog voor detail in het taalgebruik. Maar hij verwerpt die conclusie vervolgens weer, aangezien enorme hoeveelheden flauwekul juist met de grootst mogelijke aandacht en precisie worden geconstrueerd, bijvoorbeeld in politieke propaganda en reclame.

Uiteindelijk komt Frankfurter tot een ander criterium. Het doorslaggevende kenmerk is, meent hij, een gebrek aan belangstelling voor de waarheid of onwaarheid van uitspraken. De bullshit-artist is een broer van de leugenaar, maar op de glijdende schaal van waarheid naar onwaarheid staat hij toch dichter bij de bluffer. Hij probeert altijd ergens mee weg te komen. De waarheid of onwaarheid van wat hij daarvoor moet zeggen, of doen, zijn hierbij irrelevant. Frankfurt geeft als voorbeeld een bombastische orator op de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag: het gaat de spreker niet werkelijk om zijn `gezegende vaderland' of de `wijsheid van de founding fathers'. `Waar het hem om gaat is wat mensen denken van hem.' Iemand die de waarheid spreekt en de leugenaar staan zo bezien dichter bij elkaar dan bij de luchtfietser. Beiden erkennen dat er een waarheid bestaat, maar handelen daar vervolgens niet overeenkomstig naar. De handelaar in bullshit daarentegen zal het een zorg zijn wat waar is en wat niet.

Frankfurts behandeling is niet uitputtend. Zo geeft hij geen verklaring voor het feit dat sommige begrippen (`politiek correct', `islam') in een bepaald tijdsgewricht plotseling uitzonderlijk veel onzin aantrekken. Wel buigt hij zich over de vraag of de hoeveelheid flauwekul is toegenomen. Op zich is dat een niet te bewijzen stelling, want hoe meet je geklets? Maar als we ervan uitgaan dat het volume inderdaad is toegenomen, zou dat kunnen samenhangen met het feit dat niet alleen politici maar ook journalisten en `gewone burgers' worden geacht over alles mee te praten. Frankfurt: `Bullshit is onvermijdelijk wanneer de omstandigheden vereisen dat iemand iets zegt zonder dat hij weet waarover hij het heeft.'

Het grote manco in Frankfurts theorie is de veronderstelde intentionaliteit. Hij gaat ervan uit dat de praatjesmaker zich altijd bewust is van het feit dat hij lucht verkoopt. Te vrezen valt echter dat luchtfietserij in veel gevallen, misschien wel de meeste, serieus bedoeld is. En dat is juist de gevaarlijkste soort.

Harry G. Frankfurt: On Bullshit. Princeton, 67 blz. €12,68