De boel uit elkaar trekken

Sinds de moord op Theo van Gogh is een culturele strijd losgebarsten tussen verdedigers van een radicale vrijheid van meningsuiting, en anderen die oproepen tot matiging in het debat. Maar wat betekent dat laatste?

Geert Mak had op zijn klompen kunnen aanvoelen dat er van zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid gedonder zou komen. Daar was het boekje, dat vooral de politici van de VVD, LPF en Geert Wilders aanvalt, ook voor bedoeld, ondanks Maks oproep tot ingetogenheid in het nationale debat. De grote monden werden op hun plaats gezet met een felheid die weinigen achter de geliefde knuffelschrijver hadden vermoed.

Dat viel niet overal in goede aarde en in de Volkskrant mochten twee jonge fractiemedewerkers van de VVD Mak van geschiedvervalsing en karaktermoord beschuldigen. Hun eerste en meest steekhoudende verwijt betrof de door Mak getrokken vergelijking tussen het filmpamflet Submission, Part 1 van Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh, en de nazi-propagandafilm Der ewige Jude uit 1940. Ook al was de vergelijking allerminst `één op één', zoals beweerd werd door de jonge VVD'ers die op die manier aan het debat meteen hun eigen vervalsing toevoegden, wie dergelijke beelden gebruikt, speelt natuurlijk met vuur.

De Tweede Wereldoorlog blijft een open zenuw en, ondanks alle inmiddels aangebrachte grijstinten in het historische verhaal, de ultieme morele toetssteen van het nationale geweten. De retoriek ervan sluipt op de meest onverwachte momenten het maatschappelijke gesprek binnen, om dat met haar absolute oordelen op hetzelfde moment te blokkeren. De publicist Mohammed Benzakour gebruikt haar, wanneer hij in zijn bijdrage aan de zojuist verschenen bundel Hoe nu verder? een portret probeert te schilderen van Mohammed B. en diens Werdegang. Ook voor Benzakours Mohammed is Submission de steen des aanstoots: `een filmpje [...] met naakte vrouwen wier tieten en konten beschilderd zijn met het woord van Allah.' En, schrijft Benzakour, Mohammed B. walgt en verstijft `en steeds vaker hoort hij zich afvragen: heeft men dan niets geleerd van het lot van de joden?' Zoveel historisch-correct bewustzijn zondigt bijna door een overmaat aan inburgering. Het doet de geloofwaardigheid van dit portret van een tweede-generatie Marokkaanse Nederlander geen goed. Maar de passage wordt des te symptomatischer voor het automatisme waarmee de maatschappelijke discussie het moet afleggen tegen de pasmunt van de oorlogsretoriek.

Aan die laatste is in deze bundel met `42 visies op de toekomst van Nederland na de moord op Theo van Gogh' geen gebrek. Over `aanval', `strijd' en `conflict' gaat het – uiteraard – voortdurend, al is de betekenis die aan die woorden wordt gegeven nogal divers in deze tamelijk evenwichtig samengestelde staalkaart van meningen. Bij voorstanders van een harde aanpak van de islam (van Paul Cliteur en Bart Jan Spruyt tot Afshin Ellian en Bob Smalhout) klinken ze strijdhaftig, bij verdedigers van de dialoog (van Willem Breedveld tot Michiel Leezenberg, André Rouvoet en Maarten van Rossem) als een schrikbeeld. `Nederland is zeker niet aangevallen door ,,de islam''', schrijft ook Jozias van Aartsen en zelfs Mat Herben heeft de mogelijkheid van een `vreedzame coëxistentie' nog lang niet opgegeven.

Hoe hoopvol dat ook klinken mag, na lezing van Hoe nu verder? blijft een bittere smaak achter. Het zijn de meer geharnaste bijdragen die in het geheugen blijven hangen. Daarbij maakt het niet veel uit of het gaat om vertegenwoordigers van de harde aanpak dan wel hun radicaal-islamitische tegenvoeters: ook de bijdrage van AEL-voorzitter Nabil Marmouch is met zijn rancuneuze assertiviteit weinig veelbelovend.

Frappant is dat aan beide zijden een opwinding merkbaar is die veel minder doet denken aan de Tweede dan aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Er heerst, schrijft de arabist en jurist Maurits Berger, `een gevoel dat bijna grenst aan opluchting: eindelijk is het conflict met de islam aan de oppervlakte gekomen.' De strijdlust die daarvan het gevolg is, lijkt zich soms te verheugen op een frischer und fröhlicher Krieg waarin de vijand, die van buiten komt maar ook onder ons is, mores zal worden geleerd.

Zo pleit Bart Jan Spruyt voor een Ausnahmezustand naar het recept van de Duitse politiek denker Carl Schmitt om `onze democratie weerbaar te maken' tegen `de islam als zodanig'. Trouw-redacteur Chris Rutenfrans verbaast zich erover dat Nederland, na te zijn aangevallen, zich niet `eensgezind tegen de vijand' heeft gekeerd en dat de minister-president koos voor `de onmachtige taal van de dialoog'. En Paul Cliteur beschouwt de oproepen van diezelfde premier en zijn minister Brinkhorst tot het matigen van de toon van het debat als een rechtstreekse capitulatie voor de `eigen-schuldtheorie', volgens welke Van Gogh en Hirsi Ali het allemaal aan zichzelf te danken hebben gehad.

Het zou een comfortabele gedachte zijn als deze geluiden alleen te horen waren op de extreme vleugels van een abstract debat zonder veel maatschappelijke weerklank. In werkelijkheid woedt de oorlogsstemming in Nederland nu op een veel breder front en vinden haar retoriek en gemoedsbeweging veel onthaal. Ze toonde zich niet alleen in de grimmige `opluchting' die Berger signaleert na de moord op Theo van Gogh, maar ook al na de dramatische datum 11 september 2001. Onder het besef dat `niets meer zou zijn als het ooit geweest was', is toen al een revolutionaire wind opgestoken. De grauwheid van het bestaan was doorbroken en plotseling leek de toekomst weer open te liggen.

Oorlog en omwenteling gaan nu eenmaal gemakkelijk samen: ook dat heeft de Eerste Wereldoorlog geleerd. En beide hebben in hun aanvangsfase vaak iets carnavalesks. De rollen worden omgedraaid, machthebbers vallen, het volk krijgt zijn kans, en alles lijkt plotseling weer kleurrijk te worden. Die sfeer heerste in Nederland al rond de opkomst van Pim Fortuyn. Eindelijk zou er in Nederland iets gebeuren.

Geloochenstraft werden daarmee de woorden van Frits Bolkestein, nog maar enkele jaren eerder, dat geringe belangstelling voor de politiek die op saaie maar degelijke wijze zijn werk doet, betekent dat de burgers in hoge mate tevreden zijn. Nederland stemde als nooit tevoren, maar vooralsnog bleef de revolte binnen de democratische kaders. In precies dezelfde kleurschakeringen presenteerde Geert Wilders enkele dagen geleden zijn Onafhankelijkheidsverklaring. Hij belooft te breken met een `politieke elite' die het land gegijzeld houdt en die bestaat uit bange en (opnieuw) machteloze `grijze muizen'. Dat zou een revolutie betekenen in het parlement en een oorlogstoestand daarbuiten, compleet met gesloten grenzen, opgezegde verdragen en desnoods een afscheiding van Europa.

En binnen Nederland zou tussen verschillende delen van de bevolking, of tussen ideologische kampen, de loopgravenoorlog ontbranden waarvoor Abdulwahid van Bommel waarschuwt in Hoe nu verder? `Allochtonen voelen zich aangevallen door het keiharde maatschappelijke debat,' schrijft Van Bommel. `Autochtonen voelen zich bedreigd en verwachten van allochtonen meer correctie binnen de eigen groep. Beide groepen lijden onder het religieus-extremisme waar de dader van de moord op Van Gogh voor staat.' Wil het nuchtere openbare debat in Nederland over een paar jaar niet even grondig zijn verwoest als Ieper in 1918, dan zit er niets anders op dan – zoals Willem Breedveld schrijft – weerstand te bieden aan de verleiding van de eindeloze polarisatie.

Dat relativeringsvermogen wordt in elk geval niet aan de dag gelegd door columnisten en commentatoren die in elke oproep tot matiging van de toon van het maatschappelijke debat een aantasting van het grondrecht van de vrije menigsuiting zien. Een `oproep tot (zelf)censuur' noemt politicoloog Marcel Roele dat in Hoe nu verder? geschokt – en dat zal het, wanneer men de haakjes weghaalt, ook wel zijn. Maar wat zou dat befaamde, en gesmade, `matigen van de toon' misschien méér kunnen betekenen dan het beruchte `wegkijken van de problemen' dat de verdedigers daarvan al snel in hun schoenen geschoven krijgen?

Allereerst is er al overvloedig op gewezen dat het niet altijd verstandig of wenselijk is om te zeggen wat je denkt. In het onbekommerd roepen wat iemand voor de mond komt, schuilt op zichzelf geen bijzondere verdienste. Beschaving, ook in een debat, begint pas als iemand zijn mening zo weet te formuleren dat zijn standpunt wel overkomt, maar méér is dan een persoonlijke uitbarsting. Dat is een heel simpele les die maakt dat we elkaar niet bij het minste of geringste in de haren vliegen. Dat betekent niet dat er geen kritiek mag klinken op religies in het algemeen of de islam in het bijzonder, of dat een moordenaar omwille van de lieve vrede geen moordenaar mag worden genoemd. De waarheid dient altijd te worden gezegd, maar bij het `matigen van de toon' kiest men ervoor meningsverschillen uit te vechten zonder de publieke ruimte te vergiftigen met oorlogs- en ondergangsretoriek waarin tegenstanders – in de lijn van Carl Schmitt – automatisch vijanden worden. Wie zijn toon matigt, slikt niet zijn mening in, maar weigert de ander af te serveren als racist, anti-semiet of islamhater, danwel collaborateur of landverrader.

Daarom had minister Brinkhorst van Economische Zaken geen ongelijk, toen hij Submission in een gesprek met Vrij Nederland vergeleek met een sigaret in een munitiemagazijn, en daarom hebben zijn critici wél ongelijk die in die opmerking een vrijbrief voor geweld willen zien. Het weerzinwekkende karakter van de religieus geïnspireerde moord op Van Gogh ontkracht nog niet de vraag of Hirsi Ali en hij er ook verstandig aan deden deze film te maken en te laten uitzenden. Zoals een ontkennend antwoord op die vraag ook geenszins betekent dat de moord op Van Gogh dus `zijn eigen schuld' is.

Wat geldt voor de vrijheid van meningsuiting, geldt ook voor de principes die men aanhangt en liefst door de hele samenleving geëerbiedigd zou zien. Op een maatschappelijk niveau getuigt het, zelfs wanneer men daarvoor uitstekende redenen heeft, nog niet altijd van wijsheid om zich te verzetten tegen leefregels die men afwijst of anderen tot de eigen regels te verplichten. In een mooi en afgewogen bijdrage geeft David Pinto daar in Hoe nu verder? een paar verhelderende voorbeelden van: `Waarom schudde je zojuist die vrouw niet de hand?' vraagt een Nederlander aan zijn orthodox-islamitische collega. `Ik had pijn in mijn hand', antwoordt die met een evidente uitvlucht. Advies van Pinto: neem die smoes maar voor lief, aanvaard de vermijding van het conflict, zolang de weigering tenminste met andere hoffelijkheid, in woord of gebaar, gepaard ging. Aanvaard anderzijds niet dat islamitische mannen zich in een ziekenhuis weigeren te laten behandelen door vrouwelijke artsen. We concluderen: in het ene geval staat er een symbool op het spel, in het andere een realiteit. Tegen dat symbool bestaan de nodige bezwaren, maar die verdienen – op dat vlak – geen Prinzipienreiterei.

Een groot aantal auteurs in Hoe nu verder? zegt dan ook dat men het geloof in politiek en beleid het beste zoveel mogelijk met rust kan laten. Wat moslims er zoal aan meningen, normen en waarden op na houden, vindt men net zo min naadloos in de Koran terug als het denken van de gemiddelde katholiek of protestant rechtstreeks te destilleren is uit de Bijbel (die van genocide, steniging en `het brengen van het zwaard', in de woorden van Jezus, ook van wanten wist). `Culturele, geestelijke, sociale en normatieve waarden liggen veel dieper in het wezen van mensen ingebakken dan het geloof,' schrijft Pinto terecht. Eén blik op de huidige islamitische samenlevingen volstaat om te zien hoe weinig eenheid daarin zit, hoe ver ze verwijderd zijn van de middeleeuwen, ook al beroepen ze zich allemaal vol overtuiging op dezelfde Koran.

Een godsdienststrijd leidt nergens toe, zeker niet wanneer een van staatswege gesanctioneerd atheïsme daarvan het einddoel moet zijn. In een `lofzang op de oppervlakkigheid', een van de interessantste bijdragen aan de bundel, pleit de publicist H.J. Schoo daarom voor een afscheid van het `aanpassingsoffensief dat de ,,hoofden en harten'' van moslims moet winnen'. Vreedzame coëxistentie met de islam is volgens hem vooralsnog het best haalbare en dus het enige waarnaar een realistisch beleid moet streven.

Schoo maakt daarbij een scherp onderscheid tussen de publieke en de private sfeer, naar het klassiek-liberale model. `In de publieke sfeer kraait het universalisme van de Verlichting koning, de particuliere is er voor [...] de veronderstelde authenticiteit van het ,,eigene'',' zo schrijft hij. `De gedachten zijn vrij, maar gedrag in het openbare domein is gebonden aan decorum en etiquette [...] Niet ,,tolerantie'' is de kernwaarde van de openbaarheid, maar ,,civiliteit'', burgerrechten.'

Een dergelijke bescheidenheid in het beleid werpt op den duur waarschijnlijk meer vruchten af dan zachte of harde dwang tot assimilatie van immigranten. Die laatste zal er onvermijdelijk toch wel komen: dat leert de geschiedenis van bijna alle migratiebewegingen. De verschillen tussen veel jonge moslims en moslima's in Nederland en hun grootouders spreken al boekdelen. Een dergelijk voorstel als dat van Schoo sluit aan bij de Amerikaanse praktijk, die elders in de bundel door de journalist Frans Verhagen wordt beschreven – mits het wordt aangevuld met een reële arbeids- en onderwijsparticipatie, dat wil zeggen: zachte maar onverbiddelijke economische druk.

Dat alles veronderstelt een maatschappelijk incasseringsvermogen dat aanvaardt dat niet alle redelijke of verlichte ideeën onmiddellijk door iedereen zullen worden omarmd. Meer nog dan dat veronderstelt het een eigen verantwoordelijkheid en `communicatieve rationaliteit' in woord en gedrag. Dat roept ook hoon op. `Het is de toon. Het tijdstip. De wijze waarop,' zo sneert Cliteur in het boekje Brieven aan Ayaan Hirsi Ali, met bijdragen van onder anderen Joost Zwagerman, Désanne van Brederode, Awraham Soetendorp en Laurens Jan Brinkhorst, die in de zachtst mogelijke tonen waarschuwt voor `een klimaat van wij tegen zij'. Het boekje vormt een merkwaardige hommage, waarin Herman Brusselmans de toegesprokene complimenteert met `je parmantige neusje en je ongetwijfeld strakke tietjes aan je slanke lijf' en journalist Joris van Casteren fel uithaalt naar `de vrienden van Ayaan': nurkse types en oude bange mannen, aldus Van Casteren. Het memorabelst is de ongenadige kritiek van Tom Lanoye op de hooghartige wijze waarop hij Hirsi Ali haar eigen achterban ziet bejegenen: `De kern van uw doelgroep voelt zich door u meer geschoffeerd dan begrepen of zelfs maar gerespecteerd.'

`Hoffelijk in onhoffelijke tijden', zo noemt Lanoye zijn eigen bijdrage, en juist aan die hoffelijkheid heeft het de Nederlandse samenleving ook volgens een aantal auteurs in Hoe nu verder? de afgelopen decennia ontbroken. Juist de eis van ongelimiteerde meningsvrijheid en persoonlijke expressie is één van de verworvenheden van de `bevrijdende' jaren zestig, die nu door de meest uitgesproken verdedigers van die vrijheid bijna unaniem worden vermaledijd. Veel, zeer veel kan daarentegen publiekelijk worden gezegd, en schérp worden gezegd. Zeker wanneer dat gebeurt op de onpolemische toon waar Brinkhorst bijna om bedelt en die te vaak wordt veracht als softe karakterloosheid.

De meest eerbare weg die in de angstige, geladen sfeer van vandaag kan worden bewandeld, is daarom niet die van het `wegkijken', maar ook niet die van de ongeremde expressie, die het zichzelf toestaat volledig en compromisloos zijn gelijk te halen. Het onheroïsche oogmerk van Job Cohen, `de boel bij elkaar houden', is daarbij te verkiezen boven de hang naar een absoluut gelijk.

Daarom heeft Geert Mak, die Cohen samen met Donner en de Amsterdamse wethouder Aboutaleb verdedigt met zijn oproep tot een bezonnen debat toch gelijk – ondanks zijn clichématige en daardoor contraproductieve verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog. En daarom is de onverstoorbaarheid van deze drie wellicht niet bewonderenswaardiger dan de moed van Ayaan Hirsi Ali, maar heeft hun dapperheid wel de verdienste de verhoudingen niet verder te vertroebelen.

Hoe nu verder? 42 visies op de toekomst van Nederland na de moord op Theo van Gogh. Het Spectrum, 310 blz. €16,95

Brieven aan Ayaan Hirsi Ali. Prometheus, 150 blz. €12,50

Geert Mak: Gedoemd tot kwetsbaarheid. Atlas, 95 blz. €5,–. Besproken in Boeken 11.02.05. Van het boek zijn inmiddels 80 duizend exemplaren verkocht.

Voor een bespreking van Bart Jan Spruyts `De toekomst van de stad', zie pagina 26 van deze bijlage.