Alle vrachtwagens van de wereld verlaten ons

Vorige week was het weer eens zover: heel Frankrijk was lamgelegd door stakingen. Dat is te verwachten in een land met tien procent werkloosheid én een traditie van protesteren. Er is altijd wel een groep werknemers en colère, of het nu leraren, verpleegsters of winkeliers zijn. Zelfs de McDonald's was maandenlang gesloten wegens woede van de werknemers. Het Parijse straatbeeld is niet compleet zonder spandoeken en demonstraties, en niemand kijkt daar meer van op.

Waar dit alles nog wél verrast, is in de literatuur. Sociale romans à la Zola's Germinal zijn de afgelopen decennia niet in de mode geweest: liever schreef men over de eigen zielenroerselen dan over wantoestanden in op de werkvloer. Om arbeiders in de Franse literatuur te vinden moeten we terug naar de communistische auteurs van het interbellum als Paul Nizan.

Later kreeg de gewone man opnieuw een stem in de jaren zestig en zeventig, toen de intellectuelen van `proletarisch links' in fabrieken gingen werken om de arbeiders bewust te maken. Zo schreef Robert Linhart in L'établi over zijn werk in de Citroën-fabriek waar hij, tussen het maken van 2 CV's door, trachtte het arbeidersverzet te organiseren. Daarna bleef het stil op het gebied van de `literatuur van het proletariaat'.

De laatste jaren heeft de sociale roman echter een nieuw elan, zodat er nu maar liefst twee romans tegelijk verschenen waarin fabrieksarbeiders de hoofdrol spelen. Linkse romans zijn het, die het opnemen voor de kleine man. Gérard Mordillat schreef met Les Vivants et les Morts een dik en sappig boek, een stakingsroman in negentiende-eeuwse stijl, compleet met overspel, bastaardkinderen, familievetes en zelfmoord. Het drama is zwaar aangezet: zo zitten de bazen aan een somptueuze tafel en drinken wijn van 300 euro, terwijl een jonge, zwangere vrouw moet toezien dat de bank beslag legt op haar huis.

Interviews

Daewoo van François Bon daarentegen is journalistiek en modern. Zijn verhaal is echt gebeurd, en gebaseerd op interviews met ontslagen werkneemsters van een televisiefabriek. Toch noemt Bon zijn boek een roman, omdat `de oude magie van het verhalen vertellen' weliswaar niets verandert aan de realiteit van een verlaten fabriekshal, maar daar wel een betekenis aan kan geven. Bovendien, zo voegt hij toe, wil hij de vrijheid van de romanschrijver hebben waar hij zijn gesprekken met arbeidsters weergeeft: `alleen als je vrij kan schilderen, kan je eerlijk zijn'.

Ook al verschillen ze hemelsbreed, het doel van de twee romans is hetzelfde: de lezer laten voelen wat het inhoudt om fabrieksarbeider te zijn, en vooral: wat het inhoudt om een ontslagen fabrieksarbeider te zijn. De doelstellingen van de schrijvers lijken zo op elkaar, dat het Rabelais-citaat dat aan Daewoo voorafgaat, op beide boeken zou kunnen slaan: `Het is waar wat men zegt, dat de ene helft van de wereld niet weet hoe de andere helft leeft'. De vraag is wie van deze twee schrijvers het beste weet duidelijk te maken hoe de andere helft van de wereld leeft: Mordillat met zijn soapachtige verhaal of Bon die alleen documenteert?

Bon doet geen moeite om te verhullen dat hijzelf bij `de ene helft' van de mensen hoort. In de wereld van de anderen, in dit geval de werkloze fabrieksarbeidsters die hij interviewt, is hij slechts een voorbijganger: iedere avond keert hij veilig terug naar huis met zijn laptop onder de arm. Hij is hier alleen even te gast omdat hij het als de taak van de schrijver ziet om te getuigen.

Zo horen we de het verhaal van Nadia N., over haar schaamte als ze midden op de dag boodschappen doet, en als ze afgeprijsd vlees koopt waarvan de houdbaarheidsdatum is verstreken: `je vriendinnen tegenkomen bij de supermarkt, maar nooit bij dezelfde kassa. Wat zij eten, de vriendinnen, daar heb je niks mee te maken. Even wuiven met de hand, we begroeten elkaar pas echt als we buiten staan'. Of het verhaal van Géraldine, die tussen haar chemokuren door blijft protesteren tegen de sluiting van de fabriek, almaar brieven schrijvend aan verre directeuren. En vooral horen we het verhaal van Sylvia die zelfmoord pleegde en haar kindje alleen achterliet.

Niet alleen de mensen, ook de dingen krijgen een stem bij Bon. Of het nu gaat om het karkas van een dode fabriek, of een lege werkvloer vol gebroken glas, of een achtergelaten kruk met schuimrubber dat uit de zitting puilt. Vooral voor ruimtes heeft Bon een grote gevoeligheid. Even veelzeggend als de getuigenissen van Nadia of Géraldine is Bons beschrijving van `de rauwe naaktheid van precies deze plek op de wereld': de nieuwbouwwijk waarin zij wonen en het geluk op maat dat daar geconstrueerd werd, met sportcomplexen en winkelgalerijen. Daar middenin staat de lege fabriek: `voortaan genegeerd door alle vrachtwagens van de wereld'. Een terugkerend beeld in het boek is het moment waarop de W van de letters Daewoo voorzichtig van het dak van de fabriek getild wordt door een hoogwerker. Die W zal worden ingescheept naar Azië, waar de productie van televisies honderd keer goedkoper kan dan in Frankrijk.

Een van de hete hangijzers bij Bon én Mordillat is de schending van afspraken met de Franse overheid. De bouw van fabrieken werd gesubsidieerd in ruil voor arbeidsplaatsen. Zodra de subsidie na een jaar of vijf is verbruikt, trekken de buitenlandse ondernemers zich terug, verkopen hun villa in de Provence en verdwijnen uit beeld, waarop de `wegwerpfabrieken' gedemonteerd en verscheept worden. De leegte die de verdwenen directie achterlaat is een van de problemen van de ontslagen werknemers: er is niemand om verhaal bij te halen, behalve een holle BV of een opgeheven vennootschap.

Agressie

Dat is ook het probleem van de arbeiders in Les Vivants et les Morts. Hun woede na de sluiting van `de Kos', de fabriek in het fictieve stadje Raussel, heeft niets om zich op te richten. De Duitse eigenaar heeft de fabriek allang verkocht aan een Amerikaans bedrijf waarvan niemand ook maar de naam weet. Vandaar dat de agressie naar binnen slaat en de arbeiders de machines opblazen die ze jarenlang gekoesterd en onderhouden hebben.

Maar voor het zover is, gebruikt Mordillat eerst 600 pagina's om een paar van de werknemers van de Kos tot leven te wekken. Met name de jonge moeder Dallas en haar man Rudi volgen we van nabij. Hoe ze vrijen en hoe ze ruzie maken, wat ze doen op zaterdagavond, maar vooral: hoe ze proberen de eindjes aan elkaar te knopen.

Mordillat zelf laat zich niet horen in zijn boek, maar het is duidelijk bij wie zijn sympathie ligt. Tijdens een lezing in een Parijse boekhandel stelde hij dat de bourgeoisie zich niet realiseert dat ook arbeiders nadenken, discussiëren en vooral: léven. Vandaar dat Mordillat in Les Vivants et les Morts zoveel nadruk legt op het alledaags bestaan van zijn protagonisten. Vreemd genoeg blijkt het leven van een arbeider, behalve uit werk, vooral uit seks te bestaan. Ook de levendige dialogen gaan vaak over seks en zijn gelardeerd met platte grappen en zegswijzen. De merdes, ta gueules of saloperies zijn niet van lucht. Mannen zijn bot maar uit het goede hout gesneden, vrouwen kijven wel wat maar ploeteren dapper door en baren kind na kind: het is al met al te stereotiep om geloofwaardig te zijn.

De samenleving in Raussel is negentiende-eeuws ingericht, met een hoofdrol voor de burgemeester, de dokter en de opzichter uit de fabriek. Al snel blijkt dat ook de notabelen machteloos zijn tegenover het wegtrekken van de industrie, zodat de regio `een woestijn' wordt. Een van de personages, de filosoof onder de arbeiders, verklaart dat ze allen moderne slaven zijn: in plaats van werknemers met hun verworven rechten zullen er voortaan hooguit dagloners zijn, `zonder geheugen en zonder toekomst'.

In Daewoo stond het subtieler en daardoor overtuigender, maar de boodschap van Mordillat en Bon is hetzelfde. Frankrijk doet haar industrie in de uitverkoop, de vakbonden staan machteloos, de werklozen vormen een zwijgend leger waar zelfs de meest linkse kranten geen aandacht meer aan besteden, de provinciesteden sterven een langzame dood en de nieuwe generatie heeft geen enkel uitzicht op werk: werkloosheid van vader op zoon is de toekomst. Daarbij schrikken geen van beide schrijvers ervoor terug om allerlei zaken te beschrijven die normaal geen plaats hebben in de literatuur: van vakbondstwisten tot salarisonderhandelingen. Een beetje doorbijten is dat wel voor de lezer. Dat moet je er blijkbaar maar voor over hebben als je wil weten hoe de `andere helft' van de wereld leeft.

François Bon: Daewoo. Fayard, 294 blz. €18,–

Gérard Mordillat: Les Vivants et les Morts. Calmann-Lévy, 657 blz. €20,95