Pleitbezorger van VS als supermacht

De Amerikaanse plaatsvervangend minister van Defensie, Paul Wolfowitz (61), kreeg in maart 2003 zijn zin. Hij was weliswaar niet de enige in de Amerikaanse regering die vond dat Saddam Hussein moest worden aangepakt, maar hij was zeker een van de felsten, een wolf in wolfskleren. Wolfowitz maakte er nooit een geheim van dat Amerika, als het aan hem ligt, zijn invloed en desnoods zijn militaire kracht als enige supermacht in de wereld dient te gebruiken om hervormingen in andere landen door te drukken.

Dat idee werkte hij in de jaren negentig uit samen met andere neoconservatieve Amerikaanse intellectuelen. Het leidde tot het `Project of the New American Century'. Daarin werd een toekomstscenario geschetst waarin de VS hun suprematie voor de komende eeuw veiligstellen door een forse investering in de defensie.

Wolfowitz' persoonlijke geschiedenis heeft ongetwijfeld bijgedragen aan zijn visie. Zijn Pools-joodse vader emigreerde in 1920 naar de VS, mede door het toenemende anti-semitisme. Wolfowitz, zelf in de Tweede Wereldoorlog geboren, besefte later dat zijn vader de holocaust waarschijnlijk niet had overleefd als hij in Polen was gebleven. Bij een bezoek aan het geboorteland van zijn vader zei Wolfowitz vorig jaar in een lezing aan de universiteit van Warschau: ,,Polen begrijpen misschien wel beter dan wie ook de gevolgen van tandeloze waarschuwingen aan tirannen en terroristische regimes.''

Al lang voordat het gemeengoed werd leverde Wolfowitz, die politicologie en economie studeerde aan de universiteit van Chicago, felle kritiek op de invloed van de Sovjet-Unie in Oost-Europese landen. In 1972 werd hij lid van het Amerikaanse onderhandelingsteam bij de zogeheten SALT-besprekingen met de Russen over ontwapening. Onder de Democratische president Jimmy Carter werkte Wolfowitz voor het eerst op het ministerie van Defensie, waar hij zich onder andere bezighield met de opbouw van een snelle interventiemacht, die later een centrale rol had tijdens de eerste Golfoorlog in 1990.

Onder Ronald Reagan richtte Wolfowitz zijn aandacht op Azië. Hij leverde kritiek op de autocratische regeringen in Indonesië, de Filippijnen en Zuid-Korea. Na zijn terugkeer uit Indonesië, waar hij van 1986 tot 1989 ambassadeur was, werkte hij als onderminister van Defensie mee aan de opbouw van de coalitie tegen Saddam in de eerste Golfoorlog.

Bill Clinton moest niets van de havik hebben, Wolfowitz ruilde de politiek in voor een prestigieuze post aan het Paul H. Nitze instituut van de Hopkins-universiteit. Bush junior haalde hem in 2001 terug naar het ministerie van Defensie, waar hij een van de architecten werd van de tweede Golfoorlog.

Na de snelle successen in Irak, volgde de kritiek op het slepende conflict. Wolfowitz kwam daarbij intern steeds zwaarder onder vuur te liggen. Hij zou een verkeerde inschatting hebben gemaakt van de hoeveelheid militairen die nodig waren om de oorlog tot een goed einde te brengen. Ook relativeerde hij in het openbaar het aantal Amerikaanse slachtoffers.

Het Congres verweet hem in een hoorzitting een te optimistische inschatting van de opbrengsten van de Iraakse olie. Wolfowitz dacht in twee tot drie jaar 50 tot 100 miljard dollar te kunnen verdienen met de export van olie, geld waarmee de oorlog gefinancierd zou moeten worden. In werkelijkheid kwam de eerste anderhalf jaar niet meer dan 17 miljard dollar binnen, waardoor de Amerikaanse overheidsfinanciën onder druk kwamen te staan.

Wolfowitz maakte zich in Europa niet populair, toen in december 2003 een door hem ondertekend intern memo uitlekte, waarin stond dat bedrijven uit landen die tegen de oorlog in Irak waren geweest niet hoefden te rekenen op opdrachten in het kader van de wederopbouw van het land.

Maar alle kritiek heeft Wolfowitz' mening niet veranderd. Het onbegrip van de Europeanen voor Bush' Irak-beleid wekt bij hem nog steeds irritatie. En trouwens, zei hij in een interview in het Britse tijdschrift Prospect een paar maanden geleden, ,,als de Amerikaanse president zich net zo vaak kritisch zou uitlaten over Europa als sommige Europese leiders over de VS, zouden er hier veel meer anti-Europese gevoelens bestaan, dan nu het geval is.''