Gele kaart voor Brussel

Art.I-11 (2) Bevoegdheden die in de Grondwet niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.

`Over ons, maar zonder ons' is het verwijt dat de Europese Unie nogal eens wordt gemaakt door nationale politici. Soms terecht, want met de EU-informatie voor nationale parlementariërs gaat het wel eens mis. Soms niet terecht, want het komt ook voor dat zij niet bij de Brusselse les zijn.

De Europese Grondwet onderscheidt ,,gebieden van exclusieve bevoegdheid'' van de Unie (zoals het monetair beleid), ,,gebieden van gedeelde bevoegdheid'' tussen de Unie en de lidstaten (zoals landbouw en visserij), en ,,gebieden voor ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden'' van de Unie (zoals volksgezondheid).

De Grondwet regelt het informatierecht van nationale parlementen over Europese wetgeving, opdat zij beter kunnen controleren wat `Brussel' doet. Daarover gaan twee protocollen bij de Grondwet. Ze zijn ingegeven door de wens de nationale parlementen meer bij de EU-activiteiten te betrekken. Centraal daarin staat het subsidiariteitsbeginsel, vrij vertaald : regel níet op Europees niveau wat beter door de lagere overheid (lidstaat, regio, gemeente) geregeld kan worden.

Gaan de Europese instellingen (Commissie, Raad, Parlement) in de ogen van ten minste eenderde van de nationale parlementen over de schreef, dan moeten ze het wetsontwerp opnieuw in overweging nemen. In eurospeak heet dit de `subsidiariteitstoets', maar je zou het ook een gele kaart voor Brussel kunnen noemen.

Deze rubriek belicht, in de aanloop naar het referendum in Nederland op 1 juni, artikelen uit de Europese grondwet. Lezers die vragen hebben over deze grondwet kunnen het formulier op www.nrc.nl/europa invullen.