De wereld zit vol luie pretstudenten

Is het universitaire onderwijs in Engeland of de VS zo veel beter dan in Nederland? Nee, maar we moeten in ons hoger onderwijs wel een hiërarchie aanbrengen, meent Menno Lievers.

Het artikel van Rick van der Ploeg (NRC Handelsblad, 12 maart) over de Nederlandse universiteiten bevat tal van rake waarnemingen. Met zijn afsluitende aanbeveling zal iedereen het eens zijn: ,,Onze universiteiten moeten de strijd aangaan met Warwick, Oxford, Cambridge, Londen, Toulouse, Barcelona, Harvard, MIT, Stanford en andere topuniversiteiten.'' Om een einde te maken aan de Nederlandse pretstudenten, middelmatige hoogleraren en slappe bestuurders, concludeert Van der Ploeg dat er in Nederland een mentaliteitsverandering zal moeten plaatsvinden. Helaas is die wel noodzakelijk, maar absoluut niet voldoende. De problemen zijn nog veel groter dan Van der Ploeg bevroedt.

Zoals vaak gebeurt, trekt Van der Ploeg een vergelijking met het universitaire onderwijs in de Verenigde Staten. Maar hoe reëel is die? De rauwe werkelijkheid van het Amerikaanse universitaire onderwijs is niet die van Cambridge, Massachusetts, maar die van Ohio State (60.000 studenten), de Universiteit van Texas in Austin (48.000 studenten) en North Texas State (30.000 studenten). Voor de studenten en docenten van die universiteiten heeft `Harvard' een even sprookjesachtige klank als voor de meeste Nederlanders.

De regering-Bush heeft ingrijpend bezuinigd op hoger onderwijs, waardoor de openbare universiteiten spartelende vissen op het droge zijn. Er is niets, er kan niets, en het wordt alleen maar slechter.

De vraag is nu naar welke universitaire wereld in Amerika we moeten kijken. Nu in Nederland het universitaire onderwijs massaal wordt, ontstaan er problemen die eerder vergelijkbaar zijn met die aan de overvolle Amerikaanse universiteiten, die ook van overheidsgeld afhankelijk zijn, dan met die aan de selectieve privé-universiteiten. Dit wordt bevestigd door de cijfers, in het bijzonder de hoogte van de collegegelden en het percentage aangemelde studenten dat wordt toegelaten. Een jaar studeren aan Harvard kost 42.450 dollar, terwijl maar één op de tien studenten wordt toegelaten. Voor een Liberal Arts College als Dartmouth in New Hampshire is het 41.355 dollar. Dit zijn privé-instellingen. Maar ook een staatsuniversiteit als Ohio State vraagt aan studenten die uit Ohio afkomstig zijn nog zo'n 16.965 dollar, terwijl deze universiteit ook selecteert aan de poort. Alleen op een universiteit als New Mexico Junior College in Hobbs word je zonder selectie toegelaten en betaal je slechts 2.000 dollar collegegeld.

Wanneer we met die cijfers in het achterhoofd naar de Nederlandse universiteiten kijken, doen zij het, zonder selectie van studenten en met slechts 1476 euro collegegeld, niet zo slecht. Het is dan ook eerder ambitieus dan bescheiden dat de Universiteit Utrecht zich in beleidsnotities spiegelt aan staatsuniversiteiten als Rutgers in New Jersey (8.564 dollar collegegeld) en de universiteit van Virginia in Charlottesville (6.785 collegegeld).

Van der Ploegs vergelijking met Engeland gaat ook niet op, omdat de universiteiten daar vanouds onderling een hiërarchische structuur kennen. Op de top van deze pyramide staan Oxford en Cambridge, vlak daaronder onder andere Londen, Bristol, York en Durham. Het is lastig om toegelaten te worden tot deze universiteiten. Zo neemt Oxford maar hooguit twintig studenten aan voor een masters-opleiding filosofie, terwijl bijna 300 studenten zich jaarlijks aanmelden. Aan de andere kant kent Oxford ook de Brooks Universiteit, die minder selectief en goedkoper is en die in Nederland als hogere beroepsopleiding gecategoriseerd zou worden.

Hoge collegegelden en selectieve toelating, dat zorgt natuurlijk wel voor een andere mentaliteit aan de universiteit. Toch moet ook het beeld, zoals Van der Ploeg dat schetst van Amerikaanse en Engelse studenten, genuanceerd worden. Op sommige Amerikaanse universiteiten werken studenten inderdaad heel hard; op andere wordt er vooral geblowd en gefeest; op weer andere moeten getalenteerde sporters aan voldoendes voor hun vakken worden geholpen.

Het is wereldvreemd om te denken dat er alleen in Nederland luie studenten zijn en in de Verenigde Staten niet. Alleen is het zo dat in de Angelsaksische landen studenten kunnen kiezen voor een universiteit al naar gelang hun academische ambities, wat in Nederland niet kan. Zo krijg je de gekmakende situatie dat veel Nederlandse studenten bijklussen, zodat ze slechts sporadisch beschikbaar zijn om zich te laten motiveren voor hun studie. Nergens ter wereld kun je als student een scriptieafspraak afzeggen met de mededeling dat je op dat tijdstip moet werken. In Nederland wordt het geaccepteerd.

De bachelors-masters-structuur is aan Europese universiteiten opgedrongen door de Europese Gemeenschap met de bedoeling uitwisseling van studenten tussen de lidstaten te vergemakkelijken. Bovendien wil men zo de competitie tussen de universiteiten vergroten. De Nederlandse academische wereld is daar helemaal niet op ingericht. De gemiddelde uitwisselingsstudent uit Italië, Frankrijk, en Engeland die in Nederland gaat studeren, komt hier niet voor ons hoogwaardige competitieve onderwijs, maar is meer geïnteresseerd in een participerend onderzoek van het Nederlandse drugsbeleid. Omgekeerd is het als Nederlandse bachelors-student vrijwel onmogelijk om Oxford, Cambridge of de Ecole Normale Supérieure binnen te komen.

Ten overstaan van al deze problemen is Van der Ploegs oproep voor meer kwaliteit in het hoger onderwijs nogal gratuit, wanneer hij die niet vergezeld laat gaan van beleidsvoorstellen. Er moet inderdaad een mentaliteitsverandering aan de universiteiten komen. Aan de ene kant leven universiteitsbestuurders nog in de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarin de gegoede burgerij haar kinderen liet studeren – een wereld waarin studentenhuisvesting geen probleem was en de universitaire opleiding zich niet hoefde te rechtvaardigen. Aan de andere kant willen zij de competitie op de onderwijsmarkt aangaan en zich profileren, zonder daarvoor de lasten te willen dragen. Wie in Oxford of Harvard wordt toegelaten, heeft een kamer in zijn of haar eerste studiejaar. Laten we daar eens mee beginnen en die malle OV-jaarkaart afschaffen. Veel studievertraging wordt veroorzaakt door slechte studentenhuisvesting. Bovendien bevordert dat de door Van der Ploeg gewenste migratie van studenten.

Sommige passages in Van der Ploegs betoog laten zich lezen als een oproep om de universiteiten te sluiten voor domme studenten en docenten. Maar in de huidige maatschappij kun je eenvoudigweg jonge mensen niet de toegang tot de universiteit ontzeggen. Er moeten ook universiteiten zijn voor minder getalenteerde studenten; onze welvaart kan niet zonder een gemiddeld goedopgeleide beroepsbevolking.

De belangrijkste les die uit zijn artikel moet worden getrokken is dan ook dat Nederland er niet aan ontkomt een hiërarchische structuur aan te brengen in het hoger onderwijs. Dit plaatst ons voor de vraag welke universiteit moet worden aangewezen als elite-universiteit, welke als gedegen staatsuniversiteiten en welke universiteiten genoegen moeten nemen met een rol als onderwijsfabriek. En wie mag er hoge collegegelden vragen en streng selecteren aan de poort en wie gaat fuseren met het hoger beroepsonderwijs? Totdat het antwoord op deze vragen gegeven is, loopt Nederland inderdaad achter, zoals Van der Ploeg stelt.

Het grote probleem is echter dat het ministerie van Onderwijs al tientallen jaren een bolwerk van incompetentie is. De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) graaft haar eigen ondergang door die vraag te willen beantwoorden. En wie in de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW) zal een pleidooi houden tegen zijn eigen alma mater ten faveure van een andere universiteit? Het heeft er alle schijn van dat het nog veel erger moet worden voordat men de bakens wil gaan verzetten. En dan is het echt te laat.

Menno Lievers studeerde aan New Mexico Junior College in Hobbs en promoveerde aan de Universiteit van Oxford.