De intense vreugde van rijke stoffen

Van vijf kunstenaressen met volstrekt onbekende namen wordt het werk getoond in het Nederlands Textielmuseum. Vroeg twintigste-eeuwse kunstenaressen zijn het. De laatste, Christine van Zeegen, stierf in 1973.

Voor zo'n tentoonstelling moet een museum in deze tijd lef hebben, helemaal als je weet dat die vrouwen naar moderne begrippen tuttige dingen maakten als boekomslagen, theemutsen en divankleden. Hier hangt een schoorsteendoek (wie weet tegenwoordig zelfs maar wat dat is?), daar een `kunstnaaldwerk' – een geborduurd schilderij, zeg maar.

Het Textielmuseum in Tilburg is een dapper museum, dat bevlogen het erfgoed koestert van de textielnijverheid, zoals die lang heeft gebloeid in Brabant en elders in het land. Van handweefgetouwen tot breimachines en moderne jaquards kun je er alle onderdelen van de textielfabricage zien, maar er is ook uitvoerig aandacht voor de zwaarte van het leven `in de textiel'. De artistieke mogelijkheden van textiel worden er vaak geïllustreerd met hedendaags werk, en soms met een historische tentoonstelling zoals deze.

De bijzonderste werken die te zien zijn, zijn van Bertha Bake (1880-1957) en Ragnhild d'Ailly (1897-1951). D'Aillys grote doeken – vaak sjaals – met vlammende, slingerende, dramatische motieven tonen de sierkunst van de jaren twintig op haar best. De invloed van de kunst van het toenmalige Nederlands-Indië is onmiskenbaar, wat ook geldt voor het werk van Bertha Bake. Die maakte veel ingetogener, maar heel fijnzinnige voorwerpen met onbegrijpelijke technieken als batik op perkament. Hoe zou je dat doen?

De Indische invloed is natuurlijk geen toeval: de batikkunst die Bake en d'Ailly (evenals de iets oudere Agatha Wegerif) zo virtuoos beoefenden, is in dat deel van de wereld uitgevonden. De techniek om met behulp van was en verf patronen op stof aan te brengen biedt onuitputtelijke mogelijkheden, van milde stilering tot grote uitbundigheid. De andere twee kunstenaressen, Christine van Zeegen en Constance de Nerée tot Babberich, borduurden vooral. Hun panelen en andere naaldwerken zijn doordrenkt van symbolisme, soms religieus, soms seksueel (of allebei), en er spreekt meer dweperigheid dan kracht uit.

Maar wat de tentoonstelling goed overbrengt is de intense vreugde die mensen – kunstenaars en liefhebbers – beleefden aan al die rijke vormen, de stoffen, de heerlijke vrijheid om te decoreren die het fin-de-siècle had gebracht, en waarin deze vrouwen zich wel heel lang, tot na 1930, uitleefden. Het is gek om te bedenken dat op dat moment de Stijl-beweging en andere modernisten met hun strakke lijnen al lang de artistieke avant-garde vormden.

Misschien was het niet zo'n goed idee meteen vijf kunstenaressen te belichten. De catalogus poogt ook nog iets te zeggen over het vrouwelijk kunstenaarschap in het algemeen, wat vooral leidt tot vruchteloze schijndiepzinnigheden.

Belangrijker is het te beseffen dat deze vrouwen, alle geboren in de negentiende eeuw, geen kleine meisjes waren, maar serieuze vakvrouwen, die wel degelijk erkenning kregen. Zij exposeerden in binnen- en buitenland, kregen opdrachten en bestierden opleidingen. Later werden zij vergeten. Een van de opvallendste voorwerpen op de tentoonstelling is de bekende hoge zitbank van Chris Wegerif, een pronkstuk in Art Nouveau-stijl. Een tijdlang wist geen mens dat de bekleding is gebatikt door Agatha Wegerif. Mooi dat dat weer onder de aandacht is gebracht.

Tentoonstelling: Textiel-kunstenaressen, 1900-1930. T/m 16/5, Textielmuseum, Tilburg. Di t/m vr 11-17u, za/zo 12-17u. Inl: 013-5367475 en www.textielmuseum.nl