Vette snavel voor Kareltje

In het Amsterdams Historisch Museum is een tentoonstelling over beesten in de stad. Vlooien zijn uitgestorven, maar veel andere dieren gaat het goed.

In ingezonden brieven duikt vaak de mantra op dat ,,de mate van beschaving van een land gemeten kan worden aan de wijze waarop het zijn sociaal zwakkeren behandelt''. De mantra is een invuloefening: `sociaal zwakkeren' kan, afhankelijk van het onderwerp waarover de schrijver zich opwindt, worden vervangen door elke willekeurige bevolkingsgroep. Ouden van dagen, bijvoorbeeld, of geestelijk gestoorden of zieken of immigranten of allochtonen of leerlingen.

Ook de behandeling van dieren wordt wel gebruikt voor de meting van beschaving. Zo ook op de tentoonstelling Stadse Beesten die nu in het Amsterdams Historisch Museum is te zien. Iets over de helft van de mooie, vermakelijke en aandoenlijke multimediale tentoonstelling vol foto's, documenten, voorwerpen, films, schilderijen en diorama's met opgezette dieren valt te lezen dat in de 19de eeuw de dierenbescherming ontstond uit onvrede over de toen algemeen verbreide dierenmishandeling. Een van de argumenten van de dierenbeschermers was dat een goede behandeling van dieren een teken van beschaving was.

Als de dierenbeschermers gelijk hebben, dan is de hedendaagse stad een veel beschaafder oord dan honderd of meer jaren geleden. In de zestiende en zeventiende eeuw was gebraden reiger bijvoorbeeld een geliefd gerecht. In het Amsterdams Historisch Museum hangt nu een oud schilderij van dinerende Amsterdamse regenten met een reiger op hun bord. Maar tegenwoordig wordt de vele reigers die in Amsterdam wonen geen haar gekrenkt. Sterker nog, ze hebben er vaak een goed leventje. Zoals Kareltje, die een tijd lang elke dag om precies vijf uur de Febo-snackbar op het Stadionplein in Amsterdam bezocht. Daar kreeg hij dan een kippenbout die hij zonder te kauwen in één keer naar binnen werkte.

Ook honden worden veel beter behandeld in de hedendaagse stad. In de 19de eeuw werden loslopende honden gevangen, een nacht opgesloten en ten slotte in een kar met openingen gestopt en in het water gereden. Na hun verdrinkingsdood werden ze verbrand. Als ze niet losliepen, werden ze vooral gebruikt om karren te trekken. Maar de 80.000 hedendaagse Amsterdamse honden hebben, ondanks de haat die hun jaarlijkse productie van 6 miljoen kilo poep oproept, weinig te vrezen. Ze worden in het algemeen vertroeteld door hun bazen en krijgen na hun dood soms zelfs een grafsteen. Daarvan staan er nu een paar in het Amsterdams Historisch Museum.

Het hedendaagse Amsterdam is een toevluchtsoord voor dieren, zo blijkt op `Stadse Beesten'. Het biedt de drie V's voor dieren: voedsel, veilig onderkomen en voortplanting. Voedsel is er zo veel dat de stadsduiven verschillende nesten per jaar hebben. De stadsduiven stammen overigens af van de rotsduiven. Hierdoor kunnen ze recht omhoog vliegen, een vermogen dat hun goed van pas komt als een auto weer eens woest inrijdt op de `vliegende ratten' in een poging ze te veranderen in road pizza's.

Door de drie V's herbergt Amsterdam verbazend veel dieren. Of er nu meer verschillende dieren voorkomen dan vroeger durft de Amsterdamse stadsbioloog Remco Daalder, schrijver van het boek Stadse Beesten, niet te zeggen. Lange tijd werd Amsterdam omringd door braakliggende bouwterreinen, schrijft hij, en dit waren ware lustoorden voor dieren. Maar die zijn nu vrijwel helemaal volgebouwd. Wel weet hij dat bepaalde dieren zich onverwacht thuis voelen in de stad. Een jaar of twintig geleden verschenen de eerste futen, schuwe watervogels, in de stad en nu heeft bijna elke Amsterdamse gracht zijn eigen futenstel. Bij de Diemer Zeedijk leven drie vossenparen en wemelt het van de ringslangen. In het IJ komen niet alleen haring en andere zeevissen voor, maar ook Chinese wolhandkrabben en Amerikaanse rivierkreeften.

Toch gaat het niet met alle stadsdieren goed. Dit komt dan niet door een afnemende mate van beschaving, maar door bijvoorbeeld toenemende hygiëne. Zo zijn mensenvlooien al in de jaren zeventig uitgestorven in Amsterdam. Een van de vele hoogtepunten van `Stadse Beesten' is een filmpje van een optreden van Henry Dillen, directeur van een vlooientheater, in `Voor de vuist weg', het legendarische tv-programma van Willem Duys.

Voorzien van een minuscuul bandje om hun lijf en een kabeltje, trekken Dillens vlooien een keur aan karretjes voort die nu in een vitrine in het Amsterdams Historisch Museum staan. Deze insecten kunnen 500 keer hun eigen gewicht verslepen, vertelt Dillen, en zijn verhoudingsgewijs dertig keer zo sterk als een mens. De vlooien hebben namen als Frederik en Theodor. Laatstgenoemde is een intelligent diertje volgens Dillen. Als ze hebben opgetreden, voedt Dillen zijn vlooien anderhalf uur lang met zijn eigen bloed. In 1975 sloot Dillen zijn theater bij gebrek aan vlooien.

Tentoonstelling: Stadse Beesten. T/m 4 sept. In Amsterdams Historisch Museum. Prijs gelijknamige boek van Remco Daalder (Uitg. Bas Lubberhuizen) €22,50