Te bescheiden voor de top

Bert Pronk, die gisteren overleed aan kanker, werd in de tweede helft van de jaren zeventig beschouwd als een groot wielertalent. Een renner die zich vooral in de bergen zou kunnen meten met de beste klimmers en op grond daarvan een topklassering in de Tour de France kon bereiken. Maar hoger dan een twaalfde plaats in 1977 is hij nooit geëindigd.

De kleine, brildragende wielrenner uit een Schevenings gezin van acht kinderen (zijn vader, zijn broers en zijn zwagers waren allen visser) kon de hoge verwachtingen niet waarmaken. Pronk trainde als bezeten, hij reed wedstrijden zoveel hij wilde, hij kon klimmen en tijdrijden, en beschikte over een groot doorzettingsvermogen, maar `Bertje' was niet voor het geluk geboren en niet hard genoeg om zich staande te houden in het profmilieu. Hij liet zich vaak ringeloren door mannen met bluf, wielrenners die sluwer en brutaler waren dan hij en konden aantonen dat wielrennen veel meer is dan hard fietsen.

Als amateur won Pronk heel veel wedstrijden vooral criteriums. Mede daarom meende Post hem in 1975 te kunnen opnemen in zijn Raleigh-ploeg, de ploeg die later zou uitgroeien tot de sterkste ter wereld. In zijn eerste Tour de France werd Pronk 26ste in het eindklassement op 48 minuten van winnaar Van Impe. Hij eindigde vier keer bij de eerste tien van een tijdrit. Met een beetje geluk had hij de witte trui (winnaar van het jongerenklassement) kunnen bemachtigen, maar twee dagen voor het einde van de ronde moest hij door een inzinking (niet op tijd gegeten) die leiderstrui afstaan.

Zijn beste Tour reed Pronk een bescheiden jongen met een vermakelijk hoog stemmetje in 1977. Hij werd twaalfde, op een half uur van winnaar Thévenet. Dat jaar won hij de Ronde van Nederland en de Ronde van Luxemburg en werd hij derde in de Ronde van Zwitserland, waar hij tijdens de zwaarste bergrit nota bene de grootheden Merckx, Baronchelli en De Vlaeminck versloeg.

Pronk verliet Post en trok met het Duitse talent Thurau en verzorger Bakker naar de Belgische ploeg IJsboerke. Pronk meende dat hij met Thurau aan zijn zijde grote triomfen kon beleven. Door een geheimzinnig, langdurig virus en ontrouw van Thurau beleefde hij een verloren periode.

Terug bij Post en zijn sterk in kwaliteit gegroeide Raleigh-ploeg moest klimtalent Pronk de zojuist aangetrokken Zoetemelk in 1980 aan de Tourzege helpen. Het werd voor de Pronk de grootste teleurstelling in zijn wielerleven. Al op de tweede dag moest hij de Tour verlaten. In de ochtendetappe van de eerste etappe na de proloog in Frankfurt, reed hij zich in de finale nog `het snot voor de ogen' om ploeggenoot Raas aan de ritzege te helpen met succes. Maar 's middags kon hij mede daarom in de ploegentijdrit het helse tempo van zijn collega's Oosterbosch (overleden), Knetemann (overleden), Raas en Zoetemelk, maar ook van Van Vliet, Lubberding, Peeters, Priem en Wellens niet volgen. Post zei nog dat hij rustig aan mocht doen, toen hij afhaakte, maar bij aankomst werd Pronk gediskwalificeerd wegens tijdoverschrijding.

Raleigh won de tijdrit, Knetemann kreeg de gele leiderstrui, Pronk moest naar huis, Zoetemelk zou later de Tour winnen. Pronk deelde wel mee in de winst van Zoetemelk, want zijn ploeggenoten hadden een spaarpotje voor hem geregeld. Toch hield Pronk een dubbel gevoel over aan de manier waarop hij in de ploegentijdrit door Post was geadviseerd. Het was het lot van `Bertje'. Zijn `revanche' haalde hij een maand later tijdens het WK in Sallanches, wellicht de zwaarste titelstrijd die ooit is gereden. Hinault won (zijn revanche op zijn verloren Tour), Pronk finishte als zesde.

Bert Pronk had veel talent, maar zodra van hem werd verwacht dat hij kon winnen, ging er iets mis. Hij was niet opgewassen tegen `mannen van de wereld', mannen als Post, Raas, Knetemann en Thurau, de Duitser die hem in 1982 weer liet vallen toen hun beider ploegsponsor Kotter er de brui aan gaf. Pronk deed alles om een goede wielrenner te zijn hij deed aan yoga, vrat honing als een beer, negeerde de normen en waarden van zijn streng hervormde Scheveningse vissersfamilie, tastte avontuurlijk de tolerantiegrens af van zijn moeder die trouw aan traditie in klederdracht ging en was een leergierig ploeglid van Post. Iets ontbrak, iets wat alleen grote wielrenners hebben.

Zijn zonen Fabrice en Oliver werden ook wielrenner. Zoiets als een eerbetoon aan hun gedreven vader. De jaren na zijn wielercarrière sleet hij op een kantoor, denkend aan gemiste kansen of hoe hij toch een geweldige wielrenner had kunnen worden, zoals Zoetemelk naast Post.