Stop de hypocrisie rond de drugshandel in de grensregio's

Om te voorkomen dat geweld, overlast en crimineel geld de grensregio's gaan overheersen, moet Nederland zijn buurlanden overtuigen van de noodzaak de onstuitbare opmars van softdrugs te reguleren, vindt Gerd Leers.

Toen de VS de drooglegging terugdraaiden, kon Al Capone inpakken. En nu de meeste Amerikaanse staten het gokken reguleren, is de zware criminaliteit er niet meer in geïnteresseerd. We weten het allemaal, maar we willen het niet altijd weten: als we net als bij alcohol en tabak ook bij cannabis de productie en handel gaan reguleren, is de markt voor de penose weg en kan de politie zich met andere zaken gaan bezighouden.

Hoe ongewenst softdrugs zijn, is meer een morele dan een gezondheidskundige kwestie. Cannabis en alcohol hebben gemeen dat ze liever niet te veel gebruikt moeten worden, maar ook dat het gebruik op zich niet meer uit onze samenleving weg te denken is.

Alcoholgebruik is niet alleen een risico voor de volksgezondheid maar ook voor de openbare orde. De productie van alcohol is daarom gereguleerd, niet gelegaliseerd. We willen als overheid grip houden op de kwaliteit, het alcoholpercentage, de mate waarin reclame gemaakt mag worden, de leeftijd waarop het gekocht mag worden. Wie zich aan de regels houdt, mag alcohol produceren en distribueren. Het resultaat is een open markt met voldoende aanbod en lage prijzen per definitie oninteressant voor criminelen.

Het Nederlandse drugsbeleid is helaas minder consequent dan het alcoholbeleid. Gevolg daarvan is dat grensregio's een onvoorstelbare hoeveelheid criminaliteit te verwerken krijgen, omdat we uit de pas lopen met het buitenland. Bovendien is dat beleid hypocriet: drugs mogen in coffeeshops verkocht en gebruikt worden, maar daar niet geproduceerd noch gedistribueerd worden. En daarmee werkt het beleid de criminaliteit dubbel in de hand: het schept eerst een grote markt (interessant voor heel Europa) en maakt die vervolgens illegaal.

Eerst het probleem van de grensregio's. Zuid-Limburg grenst voor slechts acht kilometer aan Nederland en voor de overige 220 kilometer aan Vlaanderen, Wallonië en Noordrijn-Westfalen. Het is een eiland dat met dank aan het Haagse liberale drugsbeleid tot in het verre buitenland bekendstaat als cannabisvrijstaat. Alleen Maastricht al trekt jaarlijks ruim 1,5 miljoen drugszoekers. Een Zuid-Limburgse politieman krijgt drie keer zo veel misdrijven op zijn bord als zijn Haagse collega, en die hebben bijna allemaal met drugs te maken. Omdat het gebruik wordt gedoogd, maar de handel niet, zie je dat die handel verhardt waarbij ook een vermenging met harddrugs optreedt. Bijna alle moorden in de regio – dit jaar al zes – zijn drugsafrekeningen.

Omdat Den Haag er niet voor kiest om de criminalisering van het dagelijks leven in Zuid-Limburg te bestrijden door de politiemacht te versterken, moeten we zelf op zoek naar creatieve oplossingen. Eén daarvan is de wietboulevard. Het idee is simpel: zet de coffeeshops aan de grens (van de stad, en het liefst van het land, maar dat valt in Maastricht veelal samen) en je bent een hoop overlast kwijt, want de drugstoeristen komen meest uit het buitenland. Het argument van onze buurgemeenten dat we dan een Maastrichts probleem naar hen exporteren, gaat niet op. Maastricht heeft 16 coffeeshops, terwijl het er volgens Nederlandse normen maar zes à zeven nodig heeft voor de eigen bevolking. De andere tien hebben als functie de regio te vrijwaren van coffeeshops. De ellende die de zestien coffeeshops veroorzaken is dus geen Maastrichts probleem, het is een probleem van de hele regio.

En dan de hypocrisie. Wat we met de wietboulevard niet kwijtraken, zijn de zogeheten kilo-adressen. Dat zijn, alleen al in Maastricht, de ruim 100 illegale drugssupermarkten die de buitenlandse klanten bedienen. Die klanten rijden geen 900 kilometer om de door het Nederlandse kabinet gedoogde vijf gram te kopen, die denken in onzen en ponden.

Om daar een antwoord op te hebben is het nodig dat Den Haag ook de wankele `achterdeur' van de coffeeshop reguleeert en controleert. Dat dit niet gebeurt is de tweede majeure constructiefout in het Nederlandse liberale drugsbeleid. Een coffeeshop mag wel cannabis in huis hebben en verkopen – de `voordeur' wordt gedoogd – maar mag die niet inkopen en de hennep mag ook niet geteeld worden. Door hennepteelt toe te staan onder streng toezicht van de overheid haal je deze grotendeels uit het criminele circuit. Politieagenten kunnen zich met belangrijker zaken bezighouden dan met het oprollen van hennepkwekerijen. Bovendien kan de overheid het gehalte aan THC (de werkzame stof in cannabis) reguleren, net zoals ze nu een limiet stelt aan alcoholpercentages. De band tussen klant en illegale coffeeshop wordt dan doorgeknipt, omdat alleen nog maar officieel geproduceerde hennep, met `overheidskeurmerk', is toegestaan.

Het zijn tussenoplossingen die alleen maar gepaard kunnen gaan met realistische, concrete maatregelen om de criminaliteit in de hand te houden. Dus niet alleen een hasjpas (als die al juridisch houdbaar is) maar ook een wietboulevard en agenten erbij. Want zolang Nederland een Alleingang predikt, al dan niet met gereguleerde achterdeuren, blijft Zuid-Limburg het afvoerputje van Europa.

De werkelijke oplossing ligt in een Europese afspraak om softdrugs – mits streng gereguleerd – toe te staan op de genotsmarkten die nu alleen met alcohol en tabak zijn gevuld. Ieder land kan daar dan zijn eigen draai aan geven. Maar het haalt de druk weg van Nederland, en natuurlijk vooral van de Nederlandse grensregio's.

Dat betekent dat de Nederlandse regering op campagne moet. Den Haag is trots op zijn liberale drugsbeleid, en heeft de verworvenheden daarvan zelfs in de Europese grondwet weten veilig te stellen. Maar dat is niet genoeg. Om die verworvenheden werkelijk veilig te stellen, moet de Nederlandse regering de collega-regeringen ervan overtuigen dat regulering de enige weg is.

Volgens sceptici is het onbegonnen werk om op internationale schaal een rationeel debat te voeren over het feit dat softdrugs een onuitroeibaar verschijnsel in onze samenleving aan het worden zijn, waartegen het dweilen is met de kraan open, een gedweil bovendien dat criminaliteit bevordert. Cannabis wordt immers op morele gronden verworpen, en de moralist heeft (met een glas wijn en een sigaar bij de hand) altijd gelijk.

Als het dan niet op rationele gronden kan, dan moet het maar op pragmatische gronden: kleine stappen zetten, succesvolle voorbeelden creëren en daarmee een rimpeling in de Europese vijver veroorzaken. Een eerste begin kan worden gemaakt door een Euregionale zone op te richten waar in ieder geval Vlaanderen, Wallonië en Noordrijn-Westfalen samen met Nederland gaan proberen de teelt en verkoop van softdrugs te reguleren. Het momentum is er. Want ook in de buurregio's wordt getracht – binnen de beperkte marges die de officiële wetgevingen van Berlijn en Brussel toestaan – de werkelijkheid op straat, de onstuitbare opmars van softdrugs, te reguleren. Meer en meer krijgen politieagenten de instructie om aan andere zaken prioriteit te geven. En dat is dus een ander woord voor gedogen.

Het CDA verzet zich tegen het reguleren van de achterdeur, omdat het geen uitbreiding wil van het gedoogbeleid. Dan heeft het CDA niet goed geluisterd: reguleren is streng toezien, gedogen is de andere kant op kijken. En tegen gedogen verzet ik me óók met hand en tand. Het CDA zegt zelfs af te willen van het héle liberale drugsbeleid, maar vindt daar geen meerderheid voor in het parlement. Jammer, want het zou wel consequent zijn en van politieke moed getuigen: of je reguleert het drugsbeleid (samen met de Euregio), of je schaft het hele beleid af. Maar lever dan ook de duizenden agenten die nodig zijn om de illegaliteit te bestrijden.

De laatste variant heeft niet mijn voorkeur, en blijkbaar evenmin die van het parlement. Maar dan is het ook zaak om nu in Europa het goede voorbeeld te geven door in Nederland en de omliggende regio's de teelt, handel en consumptie verder te reguleren. Door het wit te maken, druk je de zware misdaad eruit; dat hebben de slijterijen en casino's eerder bewezen. Doen we dat niet, dan raken we verzeild in een schaakspel waarin we nog maar enkele zetten verwijderd zijn van een schaakmat. En dat zou betekenen dat we moeten accepteren dat geweld, overlast en crimineel geld onze leefomgeving en veiligheid verpesten.

Gerd Leers is burgemeester van Maastricht.