Hoe sterker het beeld, hoe machtelozer de kijker

Twee Hutu's rijden 's ochtends vroeg over een mistige weg van een magazijn waar ze voorraden hebben gehaald terug naar het hotel waar ze werken. Opeens begint de auto te hobbelen. Je bent de rivier ingereden!, zegt de manager van het hotel tegen de chauffeur. De auto stopt. Hij staat nog op de weg. Maar op die weg liggen tientallen lijken.

Waarom hebben ze deze film nou niet vóór 1994 gemaakt? Het is de gedachte die zich steeds opdringt bij het zien van Hotel Rwanda, een film over de genocide in deze kleine Afrikaanse staat, die tussen april en juli 1994 duizenden en nog eens duizenden Rwandezen, Tutsi's en gematigde Hutu's, het leven kostte. In de gruwelijkste scène van de film wordt over tientallen van de slachtoffers heengereden, ze liggen in de rivier, in de berm en op de weg.

Waarom zien we dat allemaal nu pas, nu al die mensen al dood zijn, nu het voorgoed te laat is?

Het is de vloek van het genre, van elke film die zich met de gruwelijkheden van de geschiedenis bezighoudt, juist als het goede films zijn: hoe krachtiger de beelden, hoe machtelozer de kijker zich kan voelen. Opdat we niet vergeten, wordt vaak gezegd door makers en promotors van zulke films, en opdat het niet nog eens gebeurt. Maar dat doet het wel; Schindler's List, de film waarmee Hotel Rwanda vaak vergeleken wordt, is een film over de moord op de Europese joden en dat is hij gebleven. De genocide in Rwanda kreeg zijn eigen film, die op zijn beurt waarschijnlijk niets zal bijdragen aan het stoppen van de moorden in Darfur, waarvoor Hotel Rwanda nu onder meer door Amnesty International wordt ingezet. Als de oorlog in Soedan voorbij is, kan daarover weer een speelfilm worden gemaakt.

Hotel Rwanda is een aangrijpende film. Regisseur Terry George volgt de beproefde methode om de geschiedenis invoelbaar te maken door zich op het verhaal van één man te richten, een man die bovendien een held is. In films over Afrika was dat vroeger altijd een witte omdat men er in Hollywood vanuit ging dat het westerse publiek zich anders niet met de hoofdpersoon zou kunnen identificeren. Nu is het eindelijk eens een Afrikaan, Paul Rubesesagina, manager van het sjieke Hotel des Mille Collines in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. Het hotel wordt tijdens de genocide een toevluchtsoord voor Tutsi's en gematigde Hutu's. Het is niet moeilijk om te zien dat de film toch vanuit een wit standpunt gemaakt is. Hotel Rwanda gaat niet zozeer over de genocide, maar over wat het Westen al dan niet gedaan heeft om die te voorkomen. In de bar van het hotel legt een kolonel van de Verenigde Naties aan Rubesesagina uit waarom er door de westerse landen niet wordt ingegrepen: `You're not even a nigger. You're African.' Het is een monoloog die met net iets te veel aplomb wordt uitgesproken om geen nare smaak achter te laten.

Rubesesagina wordt gespeeld door de Amerikaan Don Cheadle, die uiterlijk niet veel lijkt op de man die hij gestalte geeft. Zou de casting van de Amerikaanse acteur zijn ingegeven door de wens het vermeende verschil tussen Hutu's en Tutsi's nog verder te verkleinen? Tutsi's zouden lang en dun zijn, Hutu's klein en gedrongen. In de film wordt het verschil tussen de twee bevolkingsgroepen helder uitgelegd aan een Amerikaanse journalist met een verwijzing naar het koloniale verleden; ook dit onderscheid is een erfenis van de Belgen.

Hotel Rwanda werd dit jaar voor drie Oscars genomineerd, voor beste acteur, beste vrouwelijke bijrol (Sophie Okonedo) en beste scenario. Terry George schreef eerder de scbario's voor twee films over de IRA, In the Name of the Father en Some Mother's Son en de Vietnamfilm A Bright and Shining Lie. In zulk politiek drama komen vaak twee soorten ongeloofwaardigeid voor, de ongeloofwaardigheid van de historische gebeurtenissen zelf, en de ongeloofwaardigheid van de manier waarop de filmmaker die weergeeft.

Met de eerste soort weet George wel weg, het conflict, dat begin jaren negentig door veel mensen zowel ingewikkeld als ver van mijn bed werd gevonden – hoe zit het nou met die hutsitutsifloetsi's – wordt helder uit de doeken gedaan en dichtbij gebracht. En ook al krijg je weinig echte gruwelijkheden te zien, er wordt wel een sfeer geschapen waarin je gelooft dat ze gebeuren. Met de tweede soort geloofwaardigheid gaat het soms wat minder.

Hoe kan het bijvoorbeeld dat Rusesabagina wel door Kigali kan rijden om zijn voorraden voedsel en drank aan te vullen maar niet om de kinderen van zijn zwager, een Tutsi, die een grote rol spelen in de plot van de film, te zoeken? Het vermoeden rijst dat dit gebeurd is om een medewerkster van het Rode Kruis de film in te kunnen schrijven. En zo is het ook mogelijk de film toch een soort gelukkig einde te geven. ,,All we want to do is to show what happened'', heeft de echte Paul Rubesesagina over de film gezegd. ,,So that ten years later, people can at least know what it was and how it was.'' Voor zover mogelijk in een speelfilm.

Hotel Rwanda. Regie: Terry George. Met: Don Cheadle, Nick Nolte, Sophie Okonedo, Joaquin Phoenix. In: 21 bioscopen.