Geëngageerd verteller van de oorlog

De Britse minister van Buitenlandse Zaken Sir Edward Grey stond op 3 augustus 1914 met een vriend in Whitehall voor het raam en zag hoe de straatlantaarns werden aangestoken. De minister was somber: Europa stond aan de vooravond van oorlog. ,,In heel Europa gaan nu de lampen uit. We zullen ze in ons leven niet meer brandend zien'', zei Grey. Aldus Barbara Tuchman in The Guns of August.

Van dit Europa had de tweeling Loe en Sally de Jong geen weet. Toen een paar maanden na hun geboorte (op 24 april 1914 in Amsterdam) de Eerste Wereldoorlog uitbrak, heerste in huize De Jong vooral opluchting dat de tweeling voldoende te eten had. De legende wil dat hun vader, toen hij hoorde dat zijn vrouw een tweeling had gebaard, was flauwgevallen. ,,Hoe moest hij die te eten geven?'' Loe de Jong vertelde het in 1973 in een interview met Ischa Meijer.

Hun vader zei het diamantbewerkersvak (een paar maanden werk, nog meer maanden werkloos) vaarwel, liep tijdens de Eerste Wereldoorlog met sinaasappelen langs de deuren en bestierde later een melkwinkel aan de Amsteldijk.

De identieke tweeling (De Jong tegen Ischa Meijer: ,,Dat werkt misvormend. Wat is je identiteit? Tot ons veertiende liepen we in precies dezelfde kleren. Dat is toch vreselijk!'') bezocht na de lagere school het Vossiusgymnasium, waar de historicus Jacques Presser leraar was. Die schreef in een tussenrapport in 1930 over Loe's prestaties: ,,Leert zijn lessen wel, maar overschat zich. Beziet alles te veel vanuit zijn eigen standpunt.'' Zelf zei De Jong in 1973: ,,Er zit ergens een element van self-sufficiency in me, die maakt dat ik de lof van anderen niet zo nodig heb, dus ook de kritiek van anderen van buitenaf makkelijk kan aanvaarden. Als jongetje al bekeek ik de wereld vanuit een derde persoon.''

Die derde persoon raakte later op de achtergrond toen Sally cum laude was geslaagd voor zijn kandidaatsexamen medicijnen, en Loe die lof niet kreeg voor zijn kandidaats geschiedenis. Hun ouders hadden thuis een feestje georganiseerd, maar Loe was daar niet bij. Die liep, vertelde hij later, verdwaasd door de Amsterdamse binnenstad, tuurde in het water vanaf de Blauwbrug en vroeg zich af wat er met hem aan de hand was. Begin jaren vijftig, na een twee jaar durende psychoanalyse, werd hem duidelijk dat hij groen van jaloezie was jegens zijn broer.

Intussen pakten zich boven Europa donkere wolken samen. De Jong, na zijn afstuderen in 1938 werkzaam als redacteur buitenland bij De Groene Amsterdammer, beschreef die wolken niet alleen, hij hoopte ook – en daarin stond hij niet alleen – dat het de Britse premier Chamberlain zou lukken tot een vergelijk met Hitler te komen. Deze hoop vertroebelde zijn blik en zo kon het gebeuren dat hij op 2 september 1939, een dag voor de Brits-Franse oorlogsverklaring aan Duitsland, in De Groene schreef: ,,De toestand (mag) voor het eerst na lange tijd gematigd optimistisch worden beoordeeld. Er is plaats voor de opvatting dat de Tweede Wereldoorlog voor lange tijd, waarschijnlijk zelfs voor jaren is afgewend.'' In 1995 terugblikkend op deze foutieve inschatting, zei hij: ,,Dank zij allerlei publicaties weten we nu dat hij (Chamberlain, red.) zich daar ook eindeloze moeite voor heeft gegeven, en dat het (de deal met Hitler, red.) hem op een haar na ook is gelukt.''

[Vervolg Loe de Jong: pagina 2]

Loe de Jong (1914 - 2005)

Zijn stem klonk vanaf 1940 – zonder grijstinten

[Vervolg van pagina 1]

Aan zijn redacteurschap kwam een bruut einde toen Duitsland op 10 mei 1940 Nederland binnenviel en hij vier dagen later met zijn vrouw besloot de wijk te nemen naar Engeland. Dat wilden heel veel mensen, en zij probeerden met een taxi naar IJmuiden te komen en vandaar met de boot de overkant te bereiken. In het eerste deel van zijn Herinneringen (1993) beschrijft De Jong hoe hij op de Amsteldijk, waar hij zijn ouders was komen ophalen, aan een taxi kwam: na een woordenwisseling met meneer Grishaver, voor wie de taxi eigenlijk bestemd was maar die hem afstond aan De Jong, omdat die meer gevaar zou lopen. In maart 1993 reageerde de dochter van de familie Grishaver via een ingezonden brief in deze krant op deze lezing: volgens haar moeder was ,,de heer De Jong [...] in de taxi gestapt die de Grishavers met moeite hadden besteld en stond die onder geen beding meer af''. In de chaos die ze na de rit in IJmuiden aantroffen, raakte De Jong zijn ouders en zijn zusje Jeannetje, een nakomertje, kwijt.

De Jongs stem klonk vanaf 1 juli 1940, toen hij omroeper-redacteur werd bij Radio Oranje. Drie jaar later, in het voorjaar van 1943, vernam hij dat zijn ouders, broer en zusje vanuit Westerbork waren gedeporteerd. Berichten over het bestaan van gaskamers drongen in november 1943 weliswaar tot `Londen' door, maar Radio Oranje deed er niets mee. Volgens wijlen Henriëtte Boas, gedurende de oorlog eveneens in Londen, was dat niet zo vreemd: op dat tijdstip waren er bijna geen joden meer in Nederland, behalve degenen die waren ondergedoken, de gemengd gehuwden en de achterblijvers in Westerbork, schreef ze in Trouw in 1993. Of De Jong en Radio Oranje daarmee een juiste inschatting hebben gemaakt blijft de vraag. Bezet Nederland bleef zo in het ongewisse over het lot dat joden zou treffen in geval van verraad.

In de boezem van het oorlogskabinet in Londen werd intussen duchtig nagedacht hoe Nederland, eenmaal bevrijd, voorlopig het beste bestuurd zou kunnen worden. Daartoe werd een Ontwerpbesluit Tijdelijke Bestuursvoorziening opgesteld, met als strekking dat een sterk gezag het voor het zeggen moest krijgen, ten koste van de parlementaire democratie. Dit geheime memorandum, gevonden door de latere Telegraaf-columnist Jacques Gans in een kast bij Radio Oranje, ging al snel van hand tot hand onder degenen die zich verzamelden in het comité tegen het neofascisme, dat in mei/juni 1944 een beginselverklaring opstelde, die onder anderen werd ondertekend door A. den Doolaard, Henri Wiessing (oud-hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer), Jacques Gans en Loe de Jong. Premier Gerbrandy was woedend. In Londen ging het gerucht dat iemand van het Pentagon het manifest was snel in Washington bekend aan een Nederlandse vertegenwoordiger zou hebben gevraagd: `Hoeveel fascisten zitten er eigenlijk in uw Londense regering?' Gerbrandy, die de ondertekenaars als de veroorzakers van de onrust zag, dwong hen hun handtekening in te trekken. Tevergeefs, op één na. Den Doolaard in 1973: ,,Lou werd bij de diplomaat Van Kleffens geroepen, die lulde 'm gelijk van de sokken. Lou was de enige die z'n handtekening onder dat pamflet terugtrok – en ons daarna omver probeerde te praten. Nou, ja!''

Ruim een maand na de bevrijding zette De Jong weer voet op Nederlandse bodem. Een lege bodem – zijn ouders, zusje en bijna alle overige familieden waren vermoord in Sobibor, Sally was voor het laatst gezien in een Aussenkommando van het concentratiekamp Dora in de Harz, diens vrouw werd vermoord in Auschwitz. ,,Ik stond alleen, geamputeerd als het ware, afgesneden van mijn jeugd. Er was geen afscheid geweest, er was geen graf. Dit was, dit is onaanvaardbaar. Hiermee bedoel ik: ik kan mij er niet mee verzoenen. Men zegt: de tijd heelt alle wonden. Niet deze. Ze zijn er te onnatuurlijk voor'', zei De Jong in 1985, 40 jaar na de bevrijding.

In die veertig jaar ontpopte De Jong zich tot een monument. Op voordracht van zijn vroegere hoogleraar economische geschiedenis N.W. Posthumus werd hij directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) dat op 8 mei 1945 was opgericht. Al tijdens de oorlog had Radio Oranje Nederlanders in bezet gebied gevraagd alles wat met de bezetting verband hield te verzamelen en, als het moment daar was, af te staan. Dat gold in belangrijke mate ook voor egodocumenten die in groten getale bij het RIOD binnenkwamen. Over die begintijd zei Lideke Heuwekemeijer, tientallen jaren De Jongs secretaresse, in 1985 in Vrij Nederland: ,,Een drol boven in de archiefkast. Alcoholisme, zodat we laveloze medewerkers 's middags in een kamer te slapen moesten leggen. Het was een vrijgevochten gemeenschap, zo vlak na de oorlog, en iedereen had ondanks de tragiek van het onderwerp een enorm plezier in zijn werk.''

Het stond vast dat oorlog en bezettingsjaren moesten worden geboekstaafd. In zijn nota `Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' uit 1949 zette De Jong zijn gedachten daarover op papier. Hij vond het in moreel opzicht van belang dat ,,een der belangrijkste en meest bewogen perioden van ons volksbestaan'' in een Geschiedwerk (toen al met een hoofdletter) zou worden vastgelegd. Hij stelde dat het beste één auteur hiervoor moest worden aangewezen.

Die raad werd in de wind geslagen door het toenmalige ministerie van Onderwijs, waaronder het RIOD ressorteerde. In plaats van één togen vier historici aan de slag, vijf delen moest in 1960 klaar zijn. Het RIOD voorzag ze van veel materiaal, maar het werk vlotte niet – alle vier hadden ze een baan, het Geschiedwerk dachten ze erbij te kunnen doen. Intussen werkte De Jong gestaag door aan zijn proefschrift over de Vijfde Colonne (waarvan hij het bestaan ontkende), waarop hij in 1953 promoveerde. Twee jaar later, op 1 april 1955, kreeg hij van staatssecretaris Cals de opdracht om als enige auteur het Geschiedwerk te schrijven. Daarmee volgde Cals het advies van de vier historici, die hun opdracht hadden teruggeven.

`Hier blijven we voor thuis', klonk het in 1960 en in de jaren daarna in menige huiskamer – althans als daar een televisie stond. Zo niet, dan keek je bij de buren naar `De Bezetting', de twintigdelige serie die door De Jong tussen 1960 en 1965 werd gepresenteerd. Ruim honderd getuigen kwamen aan het woord. Hun relaas en de manier waarop De Jong oorlog en bezetting aanschouwelijk maakte, sloegen in als een bom. De serie markeerde het einde van de jarenlange houding in Nederland: na de bevrijding de schouders eronder, vooruit kijken en niet achterom.

Voor De Jong was, zo zei hij later, de serie vooral van belang geweest voor het ordenen van de enorme hoeveelheid materiaal ten behoeve van het Geschiedwerk. In zijn oratie, in 1983, noemde de historicus Jan Bank nog een ander effect: ,,Dankzij deze televisieserie groeide De Jong uit tot de verpersoonlijking van de oorlogsgeschiedenis.'' Dat bleek niet alleen uit de hoge kijkcijfers, maar ook uit de hoge verkoopcijfers, eerst van Ondergang van Jacques Presser, dat in 1965 verscheen en van het eerste deel van De Jongs werk Voorspel dat vier jaar later het licht zag. Daarvan werden in korte tijd 70.000 exemplaren verkocht. Natuurlijk was er ook kritiek, bijvoorbeeld van de kant van de Groningse historicus Ger Harmsen, die De Jong verweet ,,zijn lezer geen krities besef bij te brengen in de moeilijkheden die zich bij het interpreteren van de beschikbare bronnen voordoen''. In de loop der jaren uitten historici kritiek op de `feitenbrij' van De Jong: ,,Hij beschrijft niet één, maar alle gruwelen; niet één, maar alle kampen; noemt niet één, maar alle hoofdpersonen, aldus de Leidse historicus Y. Schöffer in een interview met De Tijd op 15 april 1988, kort voor de verschijning van het laatste deel. Ook werd hem verweten vooral verhalend te schrijven, zonder analyse. Maar meestal zijn het verhaal, analyse en conclusie onmerkbaar in elkaar vervlochten.

Oud-RIOD-medewerker en meelezer van De Jongs manuscripten dr. N.K.C.A. in 't Veld had op onderdelen ook kritiek. ,,Ik herinner mij dat ik de conceptbeschrijving van Loe over het bombardement op Dresden bekritiseerde, omdat hij Dresden toen een militair belang toekende, waarvan geen sprake was.'' In zijn ogen had De Jong destijds ook geen idee van de grote vlucht van de Duitse burgerbevolking in 1945. Waar De Jong wat `Dresden' betrof zijn tekst een beetje aanpaste, ging hij met betrekking tot het Duitse vluchtelingenprobleem echt overstag.

Volgens velen gooide de Amsterdamse historicus Hans Blom de échte knuppel in het wetenschappelijke hoenderhok met zijn oratie in 1983. Daarin keerde hij zich tegen de zwart-wit schildering die de boeken van De Jong volgens hem kenmerkte. Blom, en later historici als Chris van der Heijden, vonden dat er meer oog moest zijn voor grijstinten.

Het `gewone' publiek waren deze discussies een zorg. De bezettingsgeschiedenis zelf en de verwerking daarvan: díé waren het grote publiek een zorg, en in dat proces heeft De Jong een kardinale rol gespeeld.

En wat die `historische kritiek' betrof, die bleef toen het werk almaar uitdijde vrijwel achterwege: niet omdat die er niet zou zijn, maar omdat het lezen van weer een kloek deel vakgenoten begon tegen te staan. Met even gemengde gevoelens bezagen die de manier waarop De Jong van de perspresentatie van elk van zijn delen een ware happening maakte, waarbij hij geheid met iets pikants kwam, bijvoorbeeld de seksuele handel en wandel van prins Hendrik, de gemaal van koningin Wilhelmina.

Met dezelfde gevoelens werd zijn persconferentie gevolgd op 6 november 1978, waar De Jong verslag deed van het onderzoek naar het gedrag van CDA-fractieleider W. Aantjes tijdens de bezetting. Die had zich aangemeld bij de Waffen-SS (de gewapende tak van de SS), wat later niet bleek te kloppen; het ging om de Germaanse SS (de ideologische tak van de SS), waarvoor Aantjes trouwens nooit actief bleek te zijn geweest. De Jong presenteerde de feiten op een toon die geen tegenspraak duldde, hij ontpopte zich – zo ervoer het publiek dat althans – als aanklager en rechter tegelijk en viel daarmee zelf van zijn voetstuk. Aantjes trok zich een dag later terug uit de politiek. Mevrouw Heuwekemeijer, in 1988 terugkijkend op die uitzending: ,,Wat toen is gebeurd, blijft voor mij een raadsel. Na die tv-uitzending waarin hij Aantjes publiekelijk veroordeelde, zei ik tegen mijn man: `Dit klopt niet. Loe is anders zo voorzichtig en genuanceerd'. Hij was zó emotioneel.'' Zelf zei De Jong in 2001 in het Historisch Nieuwsblad: ,,Ik heb in de zaak-Aantjes een aantal fouten gemaakt. De belangrijkste was dat ik bij de persconferentie veel te ongenuanceerd sprak. Daardoor ontstond het beeld van de veroordeling, zeker in de talloze huiskamers.'' Maar het bleef voor De Jong buiten kijf dat Aantjes, gezien zijn oorlogsverleden, nooit een politieke carrière had mogen ambiëren.

Ronduit woedend reageerden oud-Indiëgangers op de suggestie van De Jong dat zich tijdens de politionele acties in het voormalig Nederlands-Indië excessen zouden hebben voorgedaan. Wat nooit gebeurd was, gebeurde nu: conceptteksten lekten uit, De Jong bond in – zij het niet voor honderd procent.

Het had er alle schijn van dat hij in de zomer van 1989 helemaal moest inbinden, nadat hij was getroffen door een herseninfarct. Met de taaiheid van een leeuw vocht hij zich omhoog, leerde weer praten, pakte zelfs de pen weer op om over zijn infarct en wat daarna gebeurde een boekje te schrijven: Opkrabbelen. Een aangrijpender boekje dan zijn memoires, waarvan twee delen verschenen. Die bevatten nauwelijks iets nieuws, de mensen over wie hij schreef kwamen niet tot leven.

Zijn memoires zijn in vergetelheid geraakt. Dat lot zal het `Geschiedwerk' en zijn auteur bespaard blijven – althans in de ogen van hen die De Jong in één adem noemen met de negentiende-eeuwse historicus Robert Fruin, die grote bekendheid verwierf door zijn studies `Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog' (1857) en `Het Voorspel van den Tachtigjarige Oorlog' (1859). Fruins ideeën zijn achterhaald, nieuw onderzoek bracht nieuw materiaal aan het licht. Nieuwe methodieken leidden tot andere conclusies. Maar dat alles heeft geen afbreuk gedaan aan de grootheid van deze historicus. Over Loe de Jong kan met recht hetzelfde gezegd worden.

Levensloop

Geboren 24 april 1914 – tweeling Loe en Sally

1937 doctoraal examenen geschiedenis aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam.

1938 -1940 Redacteur van De Groene Amsterdammer.

Mei 1940 Vlucht naar Londen met zijn vrouw Liesbeth Cost-Budde.

Werkzaam bij Radio Oranje. Schrijft Je Maintiendrai. Een geschiedenis van bezet Nederland 1940-1944.

1945-1979 Directeur van het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD).

1953 Promotie tot doctor in de letteren aan de Gemeenteuniversiteit van Amsterdam.

1960-1965 TV-serie De Bezetting.

1967-1984 Buitengewoon hoogleraar in de Algemene Geschiedenis van de Nieuwste Tijd aan de Nederlandse Economische Hogeschool (later Erasmus Universiteit Rotterdam).

1969 Eerste deel van Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

Ook auteur van Tussentijds, historische studies/ Opkrabbelen, Herinneringen deel 1 en 2.

1961 Nipkovschijf.

1963 Lid Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

1964 Erepenning Stichting Kunstenaarsverzet.

1971 Prins Maurits Medaille (Ver. Ons Leger).

1984 Thorbeckepenning.

1988 D.A. Thiemeprijs van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels VBBB.