Dood

In december 1992 interviewde ik voor de krant bekende Nederlanders over hun liefde voor Nederland. Onder hen waren ex-voetballer Sjakie Swart en historicus Loe de Jong.

Sjakie Swart zei: ,,In het buitenland heb ik me nooit helemaal op mijn gemak gevoeld. Goed, ik ga elk jaar met vakantie naar een vaste plek in Italië, maar na drie weken moet ik terug. Lekker weer andijvie met een bal gehakt.''

En De Jong zei: ,,Ik heb altijd van Holland gehouden. Neem het Nederlandse landschap (...) het wordt ten onrechte onderschat. Ik heb veel gereisd (...) maar ik ging eigenlijk vooral weg omdat hier niet voldoende zon was. Lange tijd heb ik een buitenhuis in Hattem gehad, in de top van de Veluwe, waar we in de weekenden naartoe gingen.''

Andijvie en de Veluwe – `Hollandser' hadden de antwoorden niet kunnen uitvallen. Bij De Jong kwam dat ook tot uitdrukking in zijn antwoord op een andere vraag: was zijn wereldbeeld gevormd door de Nederlandse literatuur? ,,Nee'', zei hij, ,,schrijvers als Hermans, Mulisch en Reve heb ik slechts te hooi en te gras gelezen. Er is wel een schrijver die mijn wereldbeeld heeft aangevuld. Dat is Carmiggelt. Hem las ik iedere dag, met zijn wereld voelde ik me zeer verbonden.''

Carmiggelt – een `Hollandser' aanvulling van een wereldbeeld kan ik me niet voorstellen. Als Carmiggelt over de grens ging, was het meestal niet veel verder dan Italië, maar liever bleef hij gewoon op de Veluwe waar hij zijn eigen dorpshotelletje had, vermoedelijk inclusief andijvie en een bal gehakt.

Daarmee is niet gezegd dat De Jong en Carmiggelt voorstanders waren van een bekrompen soort vaderlandsliefde. De Jong beklemtoonde juist dat je erg moest oppassen met overdreven, valse vaderlandsliefde. ,,Als ik trots moet zijn op Nederland, dan denk ik in de eerste plaats aan een zekere openheid bij veel Nederlanders.'' (Ja, je kunt merken dat dit interview in de vorige eeuw plaatsvond.)

Mensen als De Jong en Carmiggelt zou ik eerder willen kenschetsen als representanten van een nuchter, burgerlijk levensgevoel. Met het hart op de goede plaats – klein beetje links van het midden – en met een arbeidsethos dat op een ijzeren discipline berustte. Zo bouwden zij ieder aan een groot oeuvre dat brede erkenning kreeg bij een generatie die nu aan het uitsterven is.

Mijn ouders, inmiddels ook overleden, behoorden tot die generatie. Het geldt voor veel lezers van deze krant, vermoed ik. Wij groeiden op met ouders die 's avonds Carmiggelt lazen (of op tv bekeken), terwijl de vele delen van De Jongs oorlogsgeschiedenis in de boekenkast de wacht hielden – doorgaans ongelezen, maar dat hinderde niet, ze wáren er, ze hoorden daar te staan.

Daarom moet ik altijd even aan mijn ouders denken als zulke mensen overlijden. Bij prins Bernhard en Rinus Michels, hoewel wat jonger, overkwam me dat ook. Het is alsof je ouders dan een tweede dood sterven, een veel zachtere gelukkig. In zekere zin verzoent het je met hun dood, maar tegelijk stemt al die vergankelijkheid je een tikkeltje te melancholiek. Daarom wilde ik vragen (aan wie weet ik niet) of Jan Wolkers nog een poosje mag blijven leven. We hebben onze portie wel even gehad.