Don Cheadle

De eeuwige kruimeldief heeft ineens een diep dramatische hoofdrol te pakken. Don Cheadle schittert in `Hotel Rwanda'.

Elke acteur wacht op zo'n kans, op een film die zijn carrière tot dusver complementeert. De romantische held mag, na alle vrouwenharten te hebben gebroken, zichzelf eens fijn voor gek zetten in een komedie (Cary Grant in Bringing up Baby). De tienerster wacht op een volwassen rol (Tom Cruise in Eyes Wide Shut). De karakterspeler wil nou wel eens een hoop geld verdienen in een monsterproductie (Marlon Brando in Superman). De operettezanger wil ook wel eens `Een potje met vet' zingen (Marco Bakker in Theo en Thea en de ontmaskering van het tenenkaasimperium).

En Don Cheadle wou wel eens een hoofdrol in een film waar hij niks hoefde te stelen, waar hij niemand in elkaar zou slaan, lekschieten of afbekken. Zo'n Hollywood mainstream bijrolacteur is altijd op zoek naar die ene diep dramatische rol die hem serieuze erkenning geeft. Voor Don Cheadle is Hotel Rwanda (Terry George, 2004) die film. Hij zal er God op zijn blote knieën voor hebben gedankt, vooral omdat Hij de eerder benaderde sterren Denzel Washington, Wesley Snipes en Will Smith (!) liet afzeggen. Nu kreeg Cheadle zijn eerste Oscarnominatie voor de rol van Paul Rusesabagina, eigenaar van het sjieke Hotel des Mille Collines in Rwanda die het op zich neemt Tutsi's in veiligheid te brengen tijdens de burgeroorlog met de Hutu's.

Cheadle's smekende oogopslag is hier nu eens niet verraderlijk of ironisch, maar doorleefd. (Vreemd beroep blijft acteren toch: met één en dezelfde blik kun je twee compleet verschillende gemoedstoestanden uitdrukken. Kwestie van context.)

Cheadle (Kansas City, 1964) dook in 1986 op in de langlopende tv-serie Fame. Een jaar later werd hij als soldaat gecast in de harde Vietnam-film Hamburger Hill (John Irvin). Hij speelde bijrollen in het racisme-drama Rosewood (John Singleton, 1997) en het porno-avontuur Boogie Nights (Paul T. Anderson, 1997), in de geflopte Bullworth (Warren Beatty, 1998) en in de twee Soderbergh all-star heist-films Ocean's Eleven (2001) en Ocean's Twelve (2004), als schurk met een Cockney-accent. Meestal werd Cheadle getypecast als grofgebekte, brutale maar domme criminele neger, die het altijd aflegde tegen een slimmere blanke – boef of niet. Out of Sight (Steven Soderbergh, 1998) is daar een goed voorbeeld van, net als After the Sunset (Brett Ratner, 2004), die in Nederland nog moet uitkomen.

(Tussen haakjes: is het toeval dat zwarte acteurs zo vaak hun stemmen lenen aan grofgebekte, brutale maar domme dieren in animatiefilms? Eddie Murphy als de ezel in Shrek, Cuba Gooding jr. als de hengst in Paniek op de prairie.)

Na de erkenning van Hotel Rwanda waagt Cheadle een nieuwe sprong op de ladder van serieus te nemen acteurs. Hij regisseert voor het eerst zelf, Tishomingo Blues. Aangezien dat een verfilming van de komische misdaadschrijver Elmore Leonard betreft, is de verwachting gerechtvaardigd dat Cheadles volgende rol meer een voortzetting van zijn bijrolcarrière zal zijn dan van zijn nieuwgevonden roem uit Hotel Rwanda.