De Jong had soms gelijk, soms niet (Gerectificeerd)

Loe de Jong heeft een eenmalige prestatie geleverd die niet op basis van gangbare ambachtelijke criteria op waarde valt te schatten, menen Hugo Arlman en Gerard Mulder. Zijn werk is onlosmakelijk verbonden aan de manier waarop Nederland de Tweede Wereldoorlog heeft verwerkt.

Tussen Loe de Jong en zijn collega-historici gaapt een kloof. Enerzijds is dat zijn triomf – eenzaam torent de maestro boven zijn vakgenoten uit. Tegelijkertijd is het ook zijn tragiek – doordat De Jong zich met niemand laat vergelijken, wordt het ook heel moeilijk zijn prestaties aan die van anderen af te meten.

Het fenomeen De Jong is ondenkbaar zonder het in begin jaren vijftig unieke gegeven dat de Nederlandse regering een allesomvattende studie wilde laten verrichten naar de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in oorlogstijd. Nederland had door oorlog en bezetting een collectief trauma opgelopen; talloze vragen schreeuwden om een antwoord. Per definitie kreeg de studie bijna al bij voorbaat een reusachtig gewicht. Tot zover de opdracht. Daarmee is nog niet verklaard waarom juist De Jong hem kreeg.

Bescheiden als hij was, wenste de historicus zelf dit toe te schrijven aan toeval. Dat hij in oorlogstijd een van de weinige historici was die zich in de gezichtskring van de Nederlandse regering in ballingschap bewogen, dat hij in die oorlogsjaren een vierdelige kroniek van Nederland in bezettingstijd schreef onder de titel Je Maintiendrai, en dat hij na de oorlog directeur van het pas opgerichte Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie was geworden, had er volgens hem ook niets mee te maken. En al helemaal niet dat hij in die hoedanigheid ten behoeve van de minister van Onderwijs een profiel van de benodigde onderzoeker had geschetst dat hem wonderbaarlijk genoeg op het lijf geschreven was.

Daarmee was De Jongs spectaculaire en langdurige Alleingang nog niet voorbestemd. Zelf meende hij na een paar jaar onderzoek te kunnen volstaan met ,,twee kloeke banden''. Het werden er uiteindelijk 26, gespreid over een periode van 30jaar. Dat De Jong zijn studie liet uitdijen tot encyclopedische proporties, is zijn eigen beslissing – en zijn eigen prestatie – geweest. Maar De Jong liet het niet bij de historische feiten: hij leverde er tegelijkertijd morele oordelen bij. En dat was precies waar Nederland na de oorlog om zat te springen: een duidelijk onderscheid tussen `de goeden' en `de kwaden', tussen verzet en verraad, tussen protesteren en meeheulen. Sociaal-psychologisch was Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog dus een schot in de roos, niet voor niets siert de complete set banden de boekenkast van menige `gewone' Nederlander. Maar is het ook goede geschiedschrijving?

Een goed verhaal is het zeker. In tegenstelling tot veel van zijn vakgenoten heeft De Jong het spannende verhaal altijd kunnen waarderen. Hij hield van biografieën, een genre waarvoor Nederlandse historici lang hun neus hebben opgehaald, en hij was dol op anekdotes, petites histoires en rake typeringen. Hij heeft hierdoor bijgedragen aan een toegankelijker manier van geschiedschrijving in Nederland. Maar dat is iets anders dan de vraag of de inhoudelijke aanpak van De Jong navolging verdient. In de geschiedschrijving moet een goed verhaal wel kloppen. En kloppen de verhalen van De Jong?

Polemisch gezegd: dat weten we niet. Soms wel, soms niet. Cruciaal kenmerk van wetenschappelijk historisch onderzoek is de controleerbaarheid ervan. In principe dienen alle bronnen én verantwoord én toegankelijk te zijn. Alleen al de omvang van De Jongs werk maakt het onmogelijk de juistheid ervan te verifiëren, tenzij de sceptici een compleet schaduwinstituut ter beschikking krijgen en 25 jaar van hun leven kunnen vrijmaken. Wie deze luxe niet is vergund, moet zich beperken tot steekproeven. Gezien de pretenties van het Geschiedwerk, zoals De Jong over zijn eigen oeuvre placht te schrijven, zou Het Koninkrijk immers op elk deelterrein de basis en een gids moeten zijn waarop andere onderzoekers kunnen voortbouwen.

In de allereerste plaats valt dan op dat zelfs in de wetenschappelijke editie bronverwijzingen uiterst schaars zijn. Dat betekent dat andere historici slechts een vage notie kunnen hebben waarop De Jong zijn dikwijls pertinente conclusies baseerde. Kritiek van deze aard was er al vanaf de eerste delen, maar om de historicus J.C.H. Blom aan te halen: ,,[deze kritiek] werd in algemene bewoordingen [door De Jong] geaccepteerd zonder er iets aan te doen.''

Een treffend voorbeeld hiervan vormt een van de meest opzienbarende en omstreden passages uit het in 1979 verschenen deel 9, gewijd aan de Nederlandse regering in ballingschap. De Jong behandelt daarin de geheimzinnige rol die de voormalige Haagse hoofdcommissaris van politie François van 't Sant speelde in de omgeving van koningin Wilhelmina in Londen. In de jaren twintig had Van 't Sant vergeefs geprobeerd enige orde te scheppen in het slordige privé-leven van Wilhelmina's echtgenoot, prins Hendrik, die een spoor achterliet van buitenechtelijke affaires, onbetaalde rekeningen en chantage. Over het waarheidsgehalte van het desbetreffende hoofdstuk barstte een publiek debat los dat voor ons, als redacteuren van Vrij Nederland, aanleiding was het onderzoek van De Jong te reconstrueren.

Tot onze verbazing bleek De Jong voor de betreffende 15 pagina's maar één bron te hebben: een gesprek met Van 't Sant zelf uit 1956. Maar Van 't Sant was in 1966 overleden en bovendien mocht hij in deze kwestie wel als uiterst partijdig gelden. De Jong zelf claimt nog twee bronnen te hebben, te weten oud-premier P.S. Gerbrandy en krantenknipsels. Gerbrandy kende de zaak alleen van horen zeggen en de desbetreffende krantenknipsels waren vaag. De Jong schaatste hier dus op heel dun ijs.

Wat had De Jong moeten doen om het verhaal van Van 't Sant te verifiëren? Hij had het kunnen vragen aan Wilhelmina die toen nog leefde en met wie hij in het kader van zijn onderzoek drie gesprekken heeft gevoerd. Hij had de relevante stukken kunnen opvragen uit ten minste twee departementale archieven (Justitie en Buitenlandse Zaken), uit drie gemeentelijke archieven (Rotterdam, Den Haag en Utrecht) en uit acht particuliere archieven (waaronder die van minister van Justitie Van Schaik, minister van Buitenlandse Zaken Van Karnebeek, en van secretarisgeneraal van Justitie Van Angeren). Dat alles heeft hij niet gedaan. Dat uiteindelijk De Jongs verhaal in dit geval in essentie bleek te kloppen, is dus meer te danken aan het toeval dan aan De Jongs noeste naspeuringen als historicus.

Ongetwijfeld zou De Jong hier hebben tegengeworpen – want zo heeft hij zijn critici vaker de pas afgesneden – dat hij, met deze grondigheid werkend, het boek nooit afgekregen zou hebben. Dat klopt, maar hij dwingt ons lezers dus te leven met een constructiefout die in zijn Koninkrijk was ingebakken. Geschiedschrijving zoals Loe de Jong die bedreef is dus een soort Russische roulette: het kan raak zijn, maar voor hetzelfde geld is het er naast.

Misschien moeten we ons er maar bij neerleggen dat Het Koninkrijk een eenmalige prestatie is geweest die niet op basis van gangbare ambachtelijke criteria op waarde valt te schatten. Misschien moeten we de studie zelfs niet eens zien als een onderdeel van de Nederlandse historiografie over de Tweede Wereldoorlog, maar als een emotioneel noodzakelijk onderdeel van de verwerking ervan.

Hugo Arlman en Gerard Mulder zijn journalist en auteurs van het boek `Van de prins geen kwaad. Prins Hendrik en andere dossiers van Oranje' (1982). Gerard Mulder schreef (met Paul Koedijk) `H.M. van Randwijk. Een biografie' (1988) en `Lees die krant. Geschiedenis van het naoorlogse Parool' (1996).

Rectificatie

In de artikelen over het overlijden van Loe de Jong (16 maart, pagina's 1, 7 en 23) wordt van verschillende aantallen banden melding gemaakt waaruit het werk `Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' bestaat. Het Geschiedwerk bestaat uit veertien delen en dertig banden. Daarvan heeft Loe de Jong twaalf delen (bij elkaar 26 banden) geschreven. Deel 13 met rectificaties is feitelijk ook gemaakt door De Jong. Deel 14 (2 banden met reacties) is gemaakt door een onafhankelijke redactie. Daarnaast bestaat nog een index (zonder bandnummer).