Student heeft recht op beurs in hele EU

Studenten uit lidstaten van de Europese Unie die in een ander EU-land gaan studeren hebben in beginsel recht op een studietoelage van dat land. Dat heeft het Europees Hof van Justitie vanmorgen bepaald.

Het is de eerste keer dat het Europees Hof van Justitie in Luxemburg uitspreekt dat studietoelagen (leningen en beurzen) vallen onder het EU-recht. Het arrest betekent dat het voor lidstaten van de Europese Unie moeilijker wordt studenten uit andere EU-landen een studietoelage te weigeren. Het `gastland' mag als enige voorwaarde stellen dat de student blijk moet hebben gegeven van ,,een zekere mate van integratie'' in dit land.

Het Europees Hof wees vanmorgen arrest in de zaak-Bidar. De Fransman Dany Bidar verhuisde in 1998 met zijn moeder naar Engeland. Daar maakte hij zijn middelbare school af en ging hij economie studeren. De Britse overheid vergoedde wel zijn collegegeld, maar weigerde hem een studiebeurs of -lening ter dekking van zijn kosten van levensonderhoud. Daarop konden alleen zijn Britse collega-studenten aanspraak maken.

Bidar vocht die beslissing aan bij de Britse rechter. Volgens de Fransman was er sprake van ongeoorloofde discriminatie en inbreuk op het recht van EU-burgers op vrij reizen en verblijven binnen de Unie. Beide beginselen zijn verankerd in het EU-verdrag. De Britse rechter legde de kwestie voor aan het Luxemburgse Hof, dat waakt over de uitleg van dit verdrag.

Het Hof merkt op dat steun aan studenten voor kosten van levensonderhoud in het verleden niet onder het Europees recht viel. Maar sinds de invoering van het `Europees burgerschap' (Verdrag van Maastricht, 1993) is dat standpunt volgens het Hof niet langer houdbaar. Het Hof is dan ook van oordeel dat de Britse regelgeving voor studietoelagen te stringent is en het stelt Bidar in het gelijk.

Het Hof stelt verder dat elke lidstaat van de Europese Unie er wel voor mag zorgen dat de toekenning van studietoelagen aan studenten uit andere lidstaten ,,geen onredelijke last'' wordt. Daarom mogen ze ter voorkoming van misbruik en beteugeling van eventueel `studiebeurstoerisme' voorwaarden stellen.

In dit verband valt het volgens het Hof te billijken dat het gastland alleen studietoelagen toekent aan studenten die blijk hebben gegeven van ,,een zekere mate van integratie in de samenleving'' van het EU-land waar ze willen gaan studeren. Het is aan de afzonderlijke EU-landen zelf om dit criterium nader in te vullen met inachtneming van het EU-recht.

Het Europees Hof volgt in zijn arrest in grote lijnen de conclusie die advocaat-generaal L.A. Geelhoed vier maanden geleden in de zaak-Bidar trok. Geelhoed stelde toen ook voor om aan erkenning van het recht op een studietoelage van het gastland geen terugwerkende kracht mee te geven. Daarvoor waren de financiële gevolgen voor nationale stelsels van studiefinanciering volgens Geelhoed te onduidelijk. Maar volgens het Hof is er geen reden voor een dergelijke beperking in de tijd.