Rechter staat afluisteren van advocaat toe

Politie en justitie mogen vertrouwelijke gesprekken tussen verdachten en hun advocaten blijven afluisteren. Het telefoneren met een advocaat valt niet bij voorbaat onder het verschoningsrecht.

Dat heeft de rechtbank in Den Haag bepaald in een kort geding dat de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten had aangespannen tegen minister Donner (Justitie). De strafpleiters gaan volgens voorzitter A. Röttgering vrijwel zeker in hoger beroep.

De vereniging had geëist dat bij justitieel onderzoek gesprekken niet worden opgenomen of afgeluisterd als van tevoren bekend is dat een van de gesprekspartners een advocaat is en de advocaat niet zelf als verdachte is aangemerkt. Volgens de vereniging kan het afluisteren dan technisch onmogelijk worden gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de wet toestaat dat de gesprekken worden getapt en dat achteraf wordt bepaald welke onderdelen onder het verschoningsrecht van advocaten vallen en welke niet. De delen van de gesprekken die onder het verschoningsrecht moeten worden vernietigd, mogen in het verdere verloop van de strafzaak geen rol meer spelen.

Tijdens het kort geding, twee weken geleden, haalde de vereniging onder meer een rapport van het College Bescherming Persoonsgegevens uit 2003 aan, waarin werd geconcludeerd werd dat politie en justitie zijn doorgeschoten bij het afluisteren en registreren van gesprekken van verdachten met advocaten. [Vervolg AFLUISTEREN: pagina 2]

AFLUISTEREN

Advocaten overwegen nieuwe procedure

[Vervolg van pagina 1] De strafrechtadvocaten zijn van mening zijn dat het OM ook structureel fouten maakt. Uit een onderzoek van accoutants- en adviesbureau PriceWaterhouseCoopers zou blijken de aftapsystemen van politie en justitie belangrijke hiaten vertonen. Zo zouden `ongeautoriseerde derden' toegang kunnen krijgen tot de gegevens die in deze systemen zijn opgeslagen. De strafpleiters toont dit rapport aan dat justitie de vernietingsplicht niet structureel naleeft.

Maar de rechter is hier niet van overtuigd. De meesten gevallen die de vereniging in het kort geding aanhaalde, dateren van voor 2002. De enkele gevallen uit de periode daarna, aldus de rechtbank, ,,wijzen geenszins op een structureel veronachtzamen van de regelgeving''.

De strafpleiters verwezen onder meer naar de zaak van de gasontploffing in Den Haag, in 2003. De Haagse rechtbank sprak twee verdachten vrij, omdat verslagen van gesprekken tussen advocaten en verdachten veel te lang in het onderzoeksdossier hadden gezeten. Daardoor kon het onderzoek volgens de rechter zijn beïnvloed. Volgens het openbaar ministerie was er sprake van een vergissing.

Voorzitter Röttgering noemt de uitspraak ,,onbevredigend''. ,,Advocaten staan niet boven de wet, dat hebben wij nooit betoogd. Het gaat ons er om wie bepaalt wat geheim is en wat niet. Dat zou een onafhankelijke persoon moeten zijn.'' Ze wijst erop dat bij een huiszoeking in een advocatenkantoor altijd de Deken van de Orde van Advocaten bepaalt welke stukken onder het verschoningsrecht vallen. ,,Zoiets zou ook voor het afluisteren moeten gelden. Nu speelt de informatie formeel geen rol meer, maar informeel natuurlijk wel.'' Volgens Röttgering overwegen de strafpleiters naast een hoger beroep bij het Gerechtshof een bodemprocedure te starten om een meer afgewogen beslissing af te dwingen.