Hoeveel ruimte krijgt de rivier

Zijn calamiteitenpolders nodig om in het uiterste geval het land te beschermen tegen overstromingen? De provincies willen er vooralsnog niet aan.

Het concept wankelt. De `calamiteitenpolders' komen er waarschijnlijk niet. De provincies willen er niet aan. Ook een meerderheid in de Tweede Kamer wil liever geen noodoverloopgebieden. En er zijn ,,signalen'' dat uit een onderzoek van het kabinet zal blijken dat nut en noodzaak van sommige calamiteitenpolders iets minder groot is dan enkele jaren nog werd verondersteld.

Gisteren presenteerden gedeputeerden van de provincies Gelderland, Overijssel, Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant een advies aan het kabinet over hoe meer ruimte te maken voor de grote rivieren. De provincies staan vierkant achter het rijksbeleid om het risico van grote overstromingen te verkleinen door het verleggen van dijken en het herinrichten van uiterwaarden. Maar ze willen niet dat hun mooie rivierenlandschap ,,de vernieling'' in wordt geholpen.

Vandaar hun pleidooi om niet alleen tot 2015 een serie maatregelen te nemen voor de 1,9 miljard euro die het kabinet beschikbaar heeft gesteld, maar vanaf komend jaar 200 miljoen euro structureel aan de begroting toe te voegen. Daarmee moet het ,,in één keer goed'' gedaan worden, door zowel ruimte voor de rivier te maken als het landschap te sparen of opnieuw in te richten, bijvoorbeeld met duurzaam gebouwde bedrijventerreinen, drijvende woningen of landgoederen langs de rivier. Vermoedelijk zou dan in 2018 alles wel klaar zijn, voor zo'n 2,6 miljard euro.

Ook het aanwijzen van zogenoemde calamiteitenpolders past niet in dat streven van de provincies. ,,De plannen binnen ons advies zijn voldoende om op lange termijn veilig te zijn. We hebben geen noodoverloopgebieden nodig'', aldus de Gelderse gedeputeerde Harry Keereweer.

Een commissie, ingesteld door het kabinet, onder voorzitterschap van voormalig VVD-senator David Luteijn stelde bijna drie jaar geleden voor om drie gebieden aan te wijzen als noodoverloopgebieden: Rijnstrangen onder Zevenaar, de Ooijpolder ten oosten van Nijmegen en het oostelijk deel van De Beerse Overlaat ten noorden van Den Bosch. Die polders zouden bij extreem hoge rivierwaterstanden onder water gezet kunnen worden om het risico van overstromingen in de rest van Nederland te verkleinen.

We moesten deze gebieden zien als een soort airbag in de auto, zo vertelde David Luteijn in deze krant. ,,Al is je auto feilloos door de APK gerold en al ben je een bekwaam bestuurder, een ongeluk is nooit helemaal uit te sluiten. Daarom doe je een veiligheidsgordel om en heb je een airbag die de klap kan opvangen. Een noodoverloopgebied is heel goed te vergelijken met zo'n airbag.''

Er is vanaf de eerste plannen veel verzet gekomen uit de regio's tegen de plannen, aangevoerd door de toenmalig Gelderse gedeputeerde Johan de Bondt, inmiddels dijkgraaf. Niet alleen zou het aanwijzen van polders onnodig zijn, ook zouden alleen al door het aanwijzen deze polders hun economische aantrekkingskracht verliezen, ook al zou een gecontroleerde overstroming in deze polders zich slechts ééns in de 1.250 jaar kunnen voordoen.

Staatssecretaris Melanie Schultz van Haegen (VVD, Verkeer en Waterstaat) heeft de calamiteitenpolders altijd verdedigd, ondanks kritiek van enkele wetenschappers en van de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen. ,,Slechts een deel van de overstromingen zal `afgevangen' kunnen worden door een gecontroleerde overstroming'', zo stelde deze denktank. Ook zouden de investeringen niet opwegen tegen de schadereductie.

Ook de Tweede Kamer is tegen. Het Tweede-Kamerlid Erik van Lith (CDA) diende enkele maanden geleden een motie in om het budget voor de noodoverloopgebieden over te hevelen naar het reguliere budget voor meer ruimte voor de rivier. Dat budget werd aanvankelijk geschat op 1,25 miljard euro, maar later op zo'n 700 miljoen euro.

Van Lith vindt dat het inrichten van calamiteitenpolders leidt tot ,,schijnveiligheid''. Het is beter om, desnoods met een nog hogere norm, te voldoen aan die norm dan daarnaast nog een ,,restrisico'' te willen afdekken. Veel beter is het, aldus Van Lith, om in onder meer deze gebieden zoals Rijnstrangen, ,,mits daar ook draagvlak voor bestaat'', structurele maatregelen te nemen om de rivier meer ruimte te geven.

Staatssecretaris Schultz zei gisteren over de drie calamiteitenpolders het volgende: ,,Op dit moment studeert het rijk nog op de vraag of deze gebieden wel zo geschikt zijn.'' Het gaat daarbij vooral om de gekozen ,,methodieken'' en om de vraag welke maatregelen Duitsland neemt tegen overstromingen. Want hoe meer overstromingen in Duitsland, des te minder water er bij Lobith binnenstroomt en des te minder maatregelen Nederland hoeft te nemen.

Tot aan de uitkomsten van dit onderzoek ,,zitten de drie noodoverloopgebieden nog gewoon in het pakket'', aldus de staatssecretaris. Wel studeert het kabinet op de vraag ,,of er van deze gebieden al kunnen afvallen''. Welke dat zijn, wilde staatssecretaris Schultz nog niet zeggen.