De witte merel

Gisteravond hoorde ik de eerste merel zingen. Fijn was dat. Ik zag hem zitten op het dak aan de overzijde. Als een wolf strekte hij zijn nek. Het was een lokroep natuurlijk. Zingende merelman zoekt vrouw. Het geluid echode rond in een ruimte waaruit het licht allengs wegtrok. Heel melancholiek allemaal. Het bijzondere aan de mereltjesroep is de echo. Ik heb de lokroep wel eens gehoord in een landschap dat zo leeg was dat er geen geluid te weerkaatsen viel. Waar de merel het vandaan haalt mag Joost weten, maar de echo is er altijd. Het is de echo van het naderende voorjaar, van de toekomst, dus.

Ik heb een Vlaamse ploegleider eens horen spreken van `een witte merel'. Dat is geen vogel maar een wielrenner. Een zeldzaam exemplaar. Een witte merel is een jong talent waarin de toekomst bruist als koolzuurgas in een flesje Perrier. Alleen het dopje moet er nog vanaf. Het oog van de kenner ziet de overwinningen aan elkaar geregen worden in een gaaf en weids perspectief. Eigenlijk doet het er niet toe of het talent daadwerkelijk ontluikt. Als de kenner talent ontwaart dan is er talent, punt.

De witte merel van Nederland heet Thomas Dekker. De vogel is twintig jaar jong. Wie de benen van Dekker ziet malen kan niet anders dan ontroerd raken. Met welk gemak worden de pedalen rondgeslingerd. Een vergelijking met de benen van Indurain is snel gemaakt. Op de benen van Thomas Dekker heb ik vorige week zitten wachten. Hijzelf ook.

`Een week lang heb ik lopen zoeken naar de macht in mijn benen.'

Thomas Dekker stapte met hoge verwachtingen van zichzelf op in Parijs-Nice. Het talent raakte letterlijk ondergesneeuwd. In mijn klassieke kennerspose – gestrekt – zag ik het peloton uit elkaar spatten in een spierwit landschap. Ik zocht naar de witte merel, maar meer dan een verkleumde slungel kreeg ik niet te zien. En dat alleen nog maar in een flits.

`Rit naar de zon' wordt Parijs-Nice genoemd. Een voortreffelijke naam. Zoals de eerste merel de zekerheid van de lente aan kondigt, zo brengt de wedstrijd het eerste zonnetje de huiskamer binnen. Beklimming van de col d'Eze, zondagmiddag. Hoog tempo, mooie beelden. Rennersruggen tegen een hoge horizon. De Middellandse Zee vult het gehele scherm. Een wit zeiltje als een vlammetje in de uitgestrektheid. Ik herinner de woorden van een Nederlandse rijkaard die aan de Côte d'Azur zijn laatste dagen sleet. `Een mens moet sterk in de schoenen staan om hier te overleven. Hoeveel heb ik er hier in de casino's wel niet zien sneuvelen.'

De renners ploeteren wel, maar je ziet duidelijk dat ze zich ook koesteren in het zonnetje. Dat herken ik wel. In Nice schud je de laatste resten winter van je af. Er is geen ontkomen meer aan de zomer. De kopgroep is uitgedund. Geen Dekker. Of toch? Het shot uit de helikopter toont een poppetje dat nadert met onweerstaanbaar malende benen. Jawel, de witte merel is in aantocht.