Marionetten

Wat is de invloed van een romanpersonage op zijn schepper, de schrijver?

Ter gelegenheid van de Boekenweek doet Rascha Peper een boekje open.

Iedere schrijver weet dat de hoofdpersonen in zijn boeken tenminste de personages die aan zijn verbeelding ontsproten zijn gedurende het schrijven van het boek een eigen leven gaan leiden. Heb je aanvankelijk nog het idee een romanpersoon als een marionet alle kanten op te kunnen sturen, willoos de fratsen te kunnen laten uithalen die je wenselijk acht, na geruime tijd blijkt dat een illusie. Niet alleen gehoorzamen de marionetten niet klakkeloos, maar ook trekken ze terug aan de touwtjes. Ze proberen je zelfs hún kant uit te krijgen.

Ik heb het meegemaakt dat een personage dat om mij moverende redenen (om precies te zijn: voor mijn gemak) congrestolk van beroep moest zijn, botweg elke verdere medewerking weigerde en in staking ging. In ieder hoofdstuk waarin hij moest optreden ging het mis, ik kreeg geen woord meer op het computerscherm. En waarom? Omdat hij niets met vertalen op congressen te maken wilde hebben! Hij was in mijn hoofd opgedoken als wiskundige en dat wilde hij ook zijn. Dat ik bang was me een fikse buil te vallen aan het bedenken en beschrijven van de gedachten van een wiskundige, daar had hij niks mee te maken. Had ik hem maar niet in het leven moeten roepen.

Er bleef me uiteindelijk niets anders over dan me naar beste vermogen te verdiepen in de wereld van de wiskunde en dankzij onsterfelijke boekjes voor ongecijferden als die van John Allen Paulos (Een wiskundige leest de krant bijvoorbeeld) is het toen toch nog wat geworden met die roman.

Nu heb ik weer zoiets bij de hand. Geen onwillige hoofdpersoon ditmaal, helemaal niet, de man is naar volle overtuiging degene die hij moet zijn: verzamelaar van Duitse romantische schilderijen. Nee, er is iets anders met hem; hij heeft mij zijn smaak opgedrongen, terwijl ik, van mijn kant, hem juist wilde exploiteren vanwege zijn lichtelijk ridicule voorliefde voor die geëxalteerde negentiende-eeuwers.

In de novelle waarin hij optreedt spelen schilderijen van Caspar David Friedrich een rol. Voor wie nu niet dadelijk een lichtje opgaat, geef ik een paar steekwoorden die hopelijk beelden oproepen. Een op de rug geziene man in zwarte jas tuurt op een bergtop uit over de nevel die in het gebergte hangt. Schepen in de mist varen een Oostzeehaven uit. Een door de bliksem getroffen eik staat donker en roerloos in een sneeuwlandschap. Monniken schrijden door een woud naar een kathedraal tussen de bomen. Dat soort onderwerpen. Ongetemde natuur, mystiek, melancholie, doodssymboliek.

Prachtig, maar moeilijk om er zonder tongue in cheek naar te kijken. De (Duitse) romantiek met al zijn heftige gemoedsaandoeningen heeft in onze ogen nu eenmaal ook iets komisch. Geen mens laat zich meer meeslepen door Die Leiden des jungen Werthers of verbleekt bij een schilderij van een scheepswrak tussen de woeste ijsschotsen van de Noordpool. Behalve mijn hoofdpersoon, die heeft nog nooit van camp gehoord.

Omdat ik hem niet zomaar, vrijblijvend, met een liefhebberij kan opzadelen waarvan ik zelf niets weet, ben ik al maandenlang omringd door plaatwerken over negentiende-eeuwse Duitsers en zie ik zoveel mogelijk schilderijen in het echt. Dat heeft gevolgen. Nooit gedacht dat ik nog eens zo gecharmeerd zou raken van Runge, Carus, Rethel, Cornelius, Oldach en een heleboel anderen. En van Caspar David Friedrich. In Wenen zag ik onlangs een groot schilderij van hem in het Oberes Belvedère. Een sombere bergkloof met uit de rechterwand een geknakte, naar beneden hangende dennestam. Een magistraal werk, ik kon er haast niet bij weg komen. Zou ik dat vroeger ook gevonden hebben? Of kijk ik al helemaal met de ogen van mijn hoofdpersoon?

Aan mijn bureau zittend blader ik door een boek met reproducties van Friedrich, als mijn zoon binnenkomt. Het boek ligt opengeslagen op twee mannen die naar de maan staren. Mijn zoon kijkt er een paar seconden naar.

,,Hi-hi'', zegt hij. ,,Wat een kitsch!''

,,Je hebt het over de geestelijke vader van de Duitse romantiek!'' zeg ik belerend. ,,Zeg maar de uitvinder.''

,,Daarom kan het nog wel kitsch zijn. Vind jij het mooi dan?''

,,Ja.''

Mijn zoon jat een stapel printpapier naast mijn bureau weg; daarvoor is hij gekomen.

,,Tss'', zegt hij. ,,Echt iets voor jou.''

Mijn kunstverzamelaar kijkt tussen de over het bureau slingerende papieren tevreden naar me. Hij heeft me goed aan de touwtjes.