`Blair heeft geen respect voor recht'

De Britse jurist Sands veegt in zijn boek `Lawless World' de vloer aan met de juridische argumenten van de regering in Londen om deel te nemen aan de oorlog tegen Irak.

Tony Blair en zijn ministers zouden `Irak' eigenlijk het liefst zoveel mogelijk verzwijgen, nu er verkiezingen op komst zijn. Maar de inval in Irak blijft de Britse premier twee jaar na dato hinderlijk achtervolgen. De laatste weken krijgt Blair steeds scherpere verwijten naar het hoofd geslingerd dat de oorlog juridisch gezien niet deugde en in strijd was met het geldende volkenrecht. En dat terwijl de premier zich voor de invasie veel moeite had getroost de zaak op dat punt goed af te hechten.

Eerder deze maand publiceerde professor Philippe Sands, een gerenommeerd Brits internationaal jurist, het boek Lawless World. Daarin veegt hij de vloer aan met de juridische argumenten van Blair en de zijnen. De roemruchte resolutie 1441 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarop de Britten en de Amerikanen (en de Nederlanders) zich beriepen, kon onmogelijk als basis dienen voor agressie tegen Irak, stelt Sands. Een tweede resolutie, die er nooit is gekomen, was onontbeerlijk. ,,Het was aan de Veiligheidsraad als geheel, niet aan afzonderlijke lidstaten als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, om te bepalen of er moest worden opgetreden tegen Irak'', zegt Sands in een gesprek met deze krant. ,,Daarom was de oorlog onwettig.''

De jurist noemt het voorts ,,absurd'' een beroep te doen, zoals de Britse regering en haar bondgenoten deden, op resoluties van de voorgaande Irak-crisis uit 1990 en 1991. ,,Die resoluties waren uitsluitend bedoeld om Irak uit Koeweit weg te krijgen, niet om het bewind in Bagdad omver te werpen'', aldus Sands, eerder betrokken bij de zaak tegen de Chileense oud-dictator Pinochet en bij de verdediging van gevangenen in Guantánamo Bay.

In zijn boek suggereert Sands dat Blair en zijn kabinet het internationaal recht bewust aan hun laars lapten. Uitgebreid gaat hij in op het juridische advies dat de Britse procureur-generaal Lord Goldsmith verstrekte aan het kabinet. Op 7 maart 2003, een paar weken voor het begin van de aanval, liet Goldsmith in een vertrouwelijk advies weten dat een aanval op grond van louter resolutie 1441 eventueel juridisch viel te vededigen. Maar, zo voegde Goldsmith er aan toe, het zou beter zijn een tweede, aanvullende resolutie in de Veiligheidsraad aangenomen te krijgen. Anders zou het gebruik van geweld later voor een rechtbank wel eens illegaal kunnen worden bevonden.

Het advies van Goldsmith bereikte ook de chefstaf van de Britse strijdkrachten, admiraal Sir Michael Boyce. Deze vroeg zich volgens Sands bezorgd af of de juridische basis van een inval wel solide genoeg was. Hij wilde niet dat hij en zijn militairen zich later voor het Internationaal Strafhof in Den Haag voor een onwettige oorlog zouden moeten verantwoorden. Hij verzocht om een duidelijker advies.

Op 14 maart kreeg de admiraal waar hij om vroeg. Een kort maar duidelijk briefje met de ondubbelzinnige verzekering van premier Blair dat de Britten de oorlog konden beginnen op grond van een stevig juridisch fundament. Saddam Hussein had zich volgens de premier immers zonder meer schuldig gemaakt aan nieuwe inbreuken (further material breach) op zijn verplichtingen uit resolutie 1441.

Die boodschap kreeg drie dagen later ook het kabinet. Tijdens een ministerraad lichtte Goldsmith mondeling toe waarom een inval volgens hem gewettigd was. Volgens Clare Short, destijds minister van Ontwikkelingssamenwerking, maakte Goldsmith daarbij geen enkel voorbehoud. De meeste ministers waren op dat moment niet ingelicht over het vertrouwelijke, meer dubbelzinnige advies van 7 maart. Een voorstel van Short om in het kabinet de zaak nog eens grondig te bespreken, werd door Blair niet gehonoreerd, zo onthulde Short vorige week week in een ingezonden stuk in The Independent. Net als de ministers kreeg ook het Hogerhuis op 17 maart een korte `samenvatting' van Goldsmith' jongste advies toegestuurd door Downing Street 10.

Tot vorige week werd er steeds van uitgegaan dat er een tweede, uitvoeriger advies van Goldsmith bestond. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde de regering dit te publiceren. Tot algehele verbazing verklaarde een hoge medewerker van Blair vorige week tegenover Lagerhuisleden dat er nimmer een uitgebreider advies heeft bestaan. ,,Kan het echt zo zijn dat de juridische basis waarop we de oorlog ingingen louter bestond uit een briefje aan het parlement en niet een volledig juridisch advies?'', vroeg de Liberaal-Democratische voorman Charles Kennedy ongelovig.

Het is nooit duidelijk geworden waarom Goldsmith op 17 maart geen aarzelingen meer kende omtrent de legaliteit van de op handen zijnde inval, terwijl hij tien dagen eerder nog nadrukkelijk voorbehouden maakte. De verdenking is groot dat hij door Blair onder druk is gezet en daarom zijn mening heeft bijgesteld. Short heeft Goldsmith' integriteit al publiekelijk in twijfel getrokken. Ook Sands neigt daartoe. ,,De feiten spreken voor zich'', stelt hij. Goldsmith zelf ontkent dat hij onder politieke druk is gezwicht. Evenmin vindt hij dat er sprake is geweest van inconsistentie in zijn adviezen. Ook Blair stelt dat er niets ongeoorloofds is voorgevallen in aanloop naar de oorlog.

Doet deze controverse er twee jaar later nog steeds toe? Volgens Sands zeker wel. ,,Er loopt volgens mij een rechte lijn van dit soort adviezen naar de excessen in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak en andere schendingen van mensenrechten, zoals martelingen van gevangenen. Die vloeien allemaal voort uit een gebrek aan respect voor het internationaal recht. Ook het huidige debat in Groot-Brittannië over de antiterreurwet past in die trend. De Britse regering heeft nu in het kader van terrorismebestrijding wetgeving door het parlement gejaagd, die juridisch gezien van een twijfelachtig gehalte is. Die trend moet snel tot staan worden gebracht.''