Verkeerde signalen markt euro-obligaties

De meeste beleggers in euro-obligaties hebben geen zin om de schijnbaar eindeloze onderhandelingen over een nieuw Stabiliteits- en Groeipact te volgen. Ze zijn niet lui, maar vol vertrouwen. Die houding valt nu waarschijnlijk nog wel te rechtvaardigen, maar kan op de langere termijn desastreus zijn. Hoe minder de markten zich ermee bemoeien, des te waarschijnlijker het wordt dat er een groot probleem ontstaat. Beleggers zijn zich er zeker van bewust dat de drie grootste economieën de limieten, die het Pact aan de begrotingstekorten stelt, aan hun laars lappen. Maar zij zien geen reden zich zorgen te maken. De tekorten zijn niet bijzonder groot en overschrijden de limiet met minder dan 1 procent van het bruto binnenlands product (bbp).

Bovendien beloven alle in gebreke blijvende regeringen dat zij hun zaakjes in orde zullen maken, zodra ze daartoe in staat zijn.

En de beleggers zijn ervan overtuigd dat de monetaire autoriteiten geen bankroet van een eurolidstaat zullen tolereren. Griekenland, dat het relatief grootste tekort heeft, is zó klein dat het niet de moeite waard is het failliet te laten gaan.

En Italië, dat de grootste schuldenlast torst in verhouding tot het bbp, is te groot om zijn verplichtingen niet na te laten komen.

Het gevolg is een kalme markt. De langetermijnrente op euro-obligaties is laag gebleven en het extra rendement dat van minder behoedzame landen wordt gevergd is minimaal.

De aangevoerde argumenten snijden op zich wel hout, maar de obligatiemarkt geeft de verkeerde signalen af. De markt zou de ministers van Financiën nerveus moeten maken over een mogelijke bestraffing van hun slechte gedrag. Zij moeten het gevoel krijgen dat het negeren van hun eigen regels voor een gezond begrotingsbeleid het lenen op de kapitaalmarkt duurder zal maken. Maar de angst voor hogere langetermijnrentes op staatsobligaties komt nauwelijks voor op hun prioriteitenlijstjes.

Het heeft er daarom veel van weg dat de moeizaam verworven begrotingsdiscipline, die de grondslag van de euro vormde, langzaam zal blijven afkalven. Tenzij er een ommekeer plaatsvindt, kan de doctrine dat landen te klein of te groot zijn voor een bankroet vroeg of laat wel eens aan de kant worden geschoven. Als de tekorten uit de hand lopen, kan de munt te duur worden om te handhaven. Een zwaar in de schulden verkerend land kan zich uiteindelijk gedwongen voelen zijn betalingen op te schorten, of te devalueren en de euro te verlaten.

Misschien moet Jean-Claude Trichet, de president van de Europese Centrale Bank, eens iets gaan zeggen over deze `hersenbreker.' Dat woord heeft zijn Amerikaanse tegenvoeter Alan Greenspan in ieder geval geholpen de obligatiekoersen op te krikken. De huidige neerwaartse curve van die van de euro-obligaties kan immers naar een afgrond leiden.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar:

zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.