Slappe argumenten tegen de wetswijziging orgaandonatie 1

De motie van Agnes Kant (SP) c.s. heeft het niet gehaald (NRC Handelsblad, 9 maart). Van de aanwezige leden van de Tweede Kamer stemden 78 leden tegen en 68 leden voor invoering van het zogenaamde actieve donorregistratiesysteem (ADR). Dit ADR combineerde de toepassing van het principe van veronderstelde toestemming met de registratiesystematiek van het huidige toestemmingssysteem.

Is hiermee een historische kans verkeken? Ja. De politieke steun voor een systeemwijziging is nog nooit zo breed geweest.

Is hiermee de invoering van een `ja-tenzij'-systeem nu definitief van de baan? Nee. Met zijn keuze voor een verder aanvullend beleid mikt de minister van VWS op een toename van 10 procent van het aantal postmortale donoren over vier jaar. Gegeven de behoefte aan donororganen is dat niet eens een druppel op een gloeiende plaat. En zolang de nood zo hoog is, zal men blijven aandringen om al het mogelijke te doen binnen de grenzen van het moreel toelaatbare om het donorpotentieel beter te benutten. Volgens onze huidige kennis is dat verder aanvullend beleid, inderdaad, én de invoering van het ADR. De lotgevallen van de motie-Kant doen voorts vermoeden dat principiële bezwaren in de toekomst de invoering van een (aangepast) `ja-tenzij'-systeem niet in de weg zullen staan. Ook de ChristenUnie, die toch dat deel van de bevolking vertegenwoordigt dat van oudsher de grootste bezwaren heeft tegen het beginsel van veronderstelde toestemming, erkent inmiddels dat niet alleen het toestemmingssysteem recht doet aan het principe van de menselijke waardigheid.