`Ontwikkeling per decreet werkt niet'

De roep om uitbreiding van ontwikkelingshulp klinkt luider dan ooit. Ontwikkelingseconoom Eddy Szirmai over de beperkingen van ontwikkelingshulp

Ontwikkelingseconoom Eddy Szirmai staat met verbijstering te kijken naar de vloedgolf van internationale initiatieven om de ontwikkelingshulp drastisch uit te breiden.

Na de VN en de Britse regering pleitte gisteren ook de door de Britse premier Tony Blair ingestelde Afrika-commissie voor een forse uitbreiding van de hulp. ,,Ik heb geen flauw benul waarom die roep om extra geld juist nu weerklinkt'', zegt Szirmai. ,,Dit is weer de ontwikkeling per decreet die in het verleden nooit heeft gewerkt. Meer buitenlandse hulp leidt niet tot meer economische groei en ontwikkeling in de armste landen. Integendeel.''

Szirmai is hoogleraar Internationale Technologische Ontwikkelingsproblematiek aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hij staat op het punt te vertrekken naar Yale University in de VS waar hij aan een nieuw boek gaat werken. Zijn standaardwerk over ontwikkeling – The dynamics of socio-economic development – is net uitgekomen bij de gerenommeerde Cambridge University Press. In dat boek probeert hij te verklaren waarom sommige landen rijk zijn en andere arm. Waarom Europa aan het eind van de Middeleeuwen tot ontwikkeling kwam en het veel geciviliseerdere, technologisch geavanceerdere China niet. Waarom een halve eeuw ontwikkelingshulp in Afrika niet tot ontwikkeling heeft geleid.

In zijn boek prikt de hoogleraar een aantal wijdverbreide mythes door over ontwikkelingshulp. Bij voorbeeld dat het geld altijd voor ontwikkeling is bedoeld. Politiek-strategische doelen wegen vaak veel zwaarder. Het leeuwendeel van de van de Amerikaanse ontwikkelingshulp ging in de jaren vijftig en zestig naar bondgenoten als Zuid-Korea, Zuid-Vietnam en Taiwan en in de jaren zeventig naar Israël en Egypte. Japan helpt vooral landen die de Japanse standpunten steunen binnen de VN.

Een ander deel van de hulp werkt als exportkrediet voor het eigen bedrijfsleven. Ze is `gebonden': ze moet in het gevende land wordt besteed. Dat verlaagt de werkelijke waarde van de hulp volgens Szirmai met naar schatting een kwart. Veel ontwikkelingsgeld komt terecht bij de zogeheten `expats', goedbetaalde westerlingen. In Afrika waren dat er in de jaren tachtig ruim 80.000, meer dan ooit in de koloniale tijd.

Een andere fabeltje is dat hulp vooral bij de armen belandt. Sinds de jaren zeventig wordt bij ontwikkelingssamenwerking steeds meer nadruk gelegd om armoedevermindering. Toch komt volgens Szirmai nog altijd minder dan 6 tot 7 procent bij de armen terecht. De Britse ontwikkelingseconoom Peter Bauer heeft ontwikkelingshulp ooit cynisch omschreven als ,,een belasting voor arme mensen in rijke landen ten behoeve van rijke mensen in arme landen''. Szirmai vindt die uitspraak veel te ver gaan. ,,Maar er zit wel een kern van waarheid in.''

De grootste mythe is dat ontwikkelingshulp automatisch tot ontwikkeling leidt. Sociaal-economische ontwikkeling wordt bepaald door een cocktail van factoren, zoals natuurlijke omstandigheden, historische ervaringen, demografie, instituties, economisch beleid en machtsstructuren. De meest succesvolle ontwikkelingslanden hebben een aantal kenmerken gemeen, zegt Szirmai. Ze hebben een industrie weten op te bouwen, kennen voldoende politieke stabiliteit, zijn op export gericht, hebben hun landbouw niet verwaarloosd en geïnvesteerd in onderwijs. ,,Maar het is geen kookboek'', zegt Szirmai ,,Geen van die factoren is doorslaggevend. Bijna iedere factor kan onder bepaalde omstandigheden een impuls of een obstakel zijn.''

,,Buitenlandse hulp is maar een van de vele factoren'', zegt Szirmai. ,,In het gunstigste geval kan ze een bescheiden bijdrage leveren aan versnelling van de groei. Maar ze kan nooit stagnatie ombuigen tot dynamische ontwikkeling. Ze heeft alleen maar zin binnen het raamwerk van een effectief economisch en sociaal overheidsbeleid.''

Landen als Japan, Zuid-Korea, Taiwan, Thailand, Singapore, Maleisië, Indonesië en China hebben zich na de Tweede Wereldoorlog op indrukwekkende wijze ontwikkeld. Maar niet dankzij hulp, zegt Szirmai. ,,Zuid-Korea, Taiwan en en Indonesië hebben waarschijnlijk wel baat gehad bij hulp. Het econometrisch onderzoek over de effecten van hulp is zeer tegenstrijdig. Je kunt uit die statistieken zo'n beetje alles halen wat je wilt. Evidence is out. Politieke steun voor ontwikkelingshulp is gebaseerd op de morele noodzaak wat te doen aan de extreme armoede en honger. Niet op bewezen effectiviteit.''

Szirmai heeft er niet zoveel moeite mee: dat het macro-economisch effect hooguit marginaal is, dat eigenbelang bij verstrekking van de hulp een rol speelt, dat zoveel ontwikkelingsprojecten mislukken en dat veel hulpgeld wordt verspild. ,,Omdat ik niet zulke hoge verwachtingen heb, ben ik ook niet gauw teleurgesteld.'' Hij ziet ontwikkelingssamenwerking, net als ontwikkeling, als een gigantisch leerproces waarin onvermijdelijk grote fouten worden gemaakt, maar soms ook resultaten worden bereikt. ,,Zolang de hulp maar bijdraagt aan het mogelijk ontstaan van economische dynamiek of verbetering van leefomstandigheden. Zolang ze maar niet dient om een corrupt, onderdrukkend regime instand te houden en averechts werkt.''

Ook al kan ontwikkelingshulp op zich nooit economische groei op gang brengen, zegt Szirmai, ze kan wel de voorwaarden daarvoor verbeteren. Zoals door versterking van onderwijs, gezondheidszorg en landbouw. ,,Op die terreinen heeft ontwikkelingshulp gewerkt. Aan hele concrete problemen, zoals malaria, aids en diarree, kun je met ontwikkelingsgeld veel doen. Ontwikkelingshulp heeft de laatste halve eeuw ook de meeste hongersnoden helpen voorkomen. Dat leidt niet tot ontwikkeling, wel tot humanitaire winst.''

Afrika is het enige continent dat zich de laatste vijftig jaar niet heeft ontwikkeld heeft. Volgens Szirmai komt dat ondermeer door slecht economisch beleid, verwaarlozing van de landbouw, politieke conflicten, culturele factoren en zwakke, ineffectieve en zelfs roofzuchtige staten. Intussen maakt ontwikkelingshulp nergens zo'n groot deel van het nationaal inkomen uit als juist in de Afrikaanse landen, in een aantal landen boven de tien, zelfs boven de twintig procent van het nationaal inkomen. Daar wordt het leeuwendeel van de overheidsuitgaven en investeringen met ontwikkelingsgeld gefinancierd.

,,Dat maakt afhankelijk en werkt verslavend'', zegt Szirmai. ,,Het is begrijpelijk dat veel hulp naar landen vloeit waar het slecht gaat. Maar te veel hulp ondermijnt zelfstandige initiatieven en ondernemerschap . Op lange termijn zouden de hulppercentages in dergelijke Afrikaanse landen juist moeten dalen. De effectiviteit van de hulp moet worden verhoogd.''