Geldzaken in de praktijk

Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) onderzocht samen met de Universiteit van Wageningen hoe wij ons geld beheren. Ruim 5.200 mensen vulden daarvoor via internet een vragenlijst in. Zij zijn onderverdeeld naar type huishouden, opleidingsniveau, leeftijd en inkomen. Afgelopen donderdag verscheen Geldzaken in de praktijk, een empirisch onderzoek onder particuliere huishoudens in Nederland (zie www.nibud.nl). Kijk op die website ook even naar de digitale expositie 100 jaar geld; hoe gingen onze (over)grootouders om met hun geld.

Het Nibud definieerde financieel beheer in 1996 als `het verdelen van de inkomsten (in de tijd en qua hoeveelheid) over verschillende uitgavenposten, en het gebruik van administratieve middelen hierbij, rekening houdend met de randvoorwaarden die op strategisch niveau worden vastgelegd en de uitvoeringsmethoden op operationeel niveau'.

Volgens een Amerikaanse definitie uit 1978 horen onder het strategisch niveau langetermijnbeslissingen als de keuze van opleiding, het beroep, het krijgen van kinderen en zelfs de levensstijl. Deze doeleinden leggen de (geld)middelen voor de toekomst vast en beïnvloeden iemands administratie en beheersbeslissingen.

Dat lijkt op persoonlijke financiële planning (PFP). Die benadering gaat uit van iemands eisen, doelen, wensen en dromen, en de vele risico's die hij loopt. Die twee facetten (doelen en risico's) bepalen wat je moet doen en laten. Maar het Nibud richt zich in dit rapport vooral op tastbare inkomsten en uitgaven van huishoudens, zoals kinderverzorging, zak- en kleedgeld, kostgeld, lenen en dergelijke, en minder op ongrijpbare doelen en risico's.

Deze boekhouderachtige benadering is niet meer actueel. De overheid trekt zich immers op meerdere fronten terug en de verzorgingsstaat wordt langzaam uitgekleed. Daardoor lopen burgers meer risico's. Weten ze dat wel? Nee. Bestaat er een verschil in risicobewustzijn tussen de verzorgde werknemers in vaste dienst en de niet-werknemers als freelancers, kleine zelfstandigen, vrije beroepers, ondernemers en los werkvolk? Misschien. Dat moeten het Nibud en Wageningen onderzoeken, dat is actueel.

Het rapport Geldzaken bevat interessante gegevens. Van alle aan het onderzoek meewerkende huishoudens bestaat 34 procent uit een alleenstaande, voor 68 procent van het vrouwelijk geslacht. 6 procent van de gezinnen telt één ouder, van wie de ouder in niet minder dan 95 procent een moeder is. Dat pleit voor een aparte benadering in de financiële planning, omdat veel moeders moeten leven van een uitkering en/of alimentatie. De paren zonder kinderen beslaan 29 procent en de paren met kinderen 31 procent.

De onderzoekers vroegen de deelnemers welke doelen zij voor de langere termijn (meer dan vijf jaar) hebben. De helft wil een financiële buffer van ongeveer 6.500 euro. Mensen onder de dertig jaar hadden genoeg aan 2.800 euro en 65-plussers wilden 9.700 euro.

Niet minder dan 34 procent wil het eigen huis geheel afbetalen. Die wens is ongeveer gelijk verdeeld over alle huishoudens, leeftijden, opleidingsniveaus en inkomens. Een opmerkelijk verschil met de vragenstellende lezers van deze krant, want die zweren bijna allemaal bij een zo hoog mogelijke aflossingsvrije hypotheek. Maar liefst 9 procent wil een tweede huis.

Een tijdje onbetaald verlof? Maar 1 procent. Wie zit er dan te wachten op de nieuwe levensloopregeling? Kinderen een vermogen achterlaten? Ook maar 1 procent, met name de 65-plussers.

Een huishouden kan een pensioengat op verschillende manieren dempen. 30 procent spaart en/of belegt daarvoor, 15 procent heeft koopsompolissen lopen, een afbetaalde eigen woning drukt de woonlasten en 1 procent benut de fiscale oudedagsreserve (FOR), een voorziening voor zelfstandigen.

Dan tot slot de verzekeringen. Bijna iedereen heeft een aansprakelijkheidsverkering en een inboedelverzekering. De begrafenispolis scoort 67 procent, de levensverzekering (niet naast de hypotheek) 28 procent. De helft bezit een opstalverzekering, 38 procent een doorlopende reisverzekering, 43 procent een rechtsbijstandsverzekering en maar 3 procent een studieverzekering voor de kinderen.