Een competitiecultuur is slecht voor vrouwenemancipatie

De emancipatie stagneert. Goed emancipatiebeleid moet juist uitgaan van de verschillen tussen man en vrouw.

De emancipatie stagneert, de streefcijfers zijn weer niet gehaald, stond kortgeleden op de voorpagina van deze krant, naar aanleiding van het verschijnen van de Emancipatiemonitor 2004. Eigenlijk is het geen nieuws: keer op keer moet geconstateerd worden dat, hoe mooi de plannen ook zijn en hoe krachtig de voornemens, vrouwen blijven steken op een onaanvaardbaar laag peil qua arbeidsmarktpositie, economische zelfstandigheid en invloed op maatschappelijke en politieke besluitvorming.

Soms wordt dit aan vrouwen zelf verweten: aan hun gebrek aan ambitie. Vaker nog aan de overheid, die het laat afweten waar het gaat om voorzieningen die nodig zijn om baan en gezin te combineren. Maar het meest aan mannen. In de eerste plaats als werkgever, omdat ze vaker voor mannen kiezen op goede posities. Met vrouwen loop je immers meer risico's, omdat ze zwanger kunnen worden, minder stressbestendig zijn, vaker in de WAO terechtkomen of alleen maar parttime willen werken. Maar ook mannen als partner of echtgenoot, omdat ze te beroerd zijn om huishoudelijke taken op zich te nemen en voor de kinderen te zorgen. De hoon die mannen de laatste twintig jaar ten deel is gevallen is groot: de stagnerende emancipatie komt door hun egoïsme, conservatisme en machogedrag. Bij zoveel onwilligheid moet het ,,hun tussen de oren geramd worden om er meer aan te doen'', riep minister De Geus onlangs nog uit in een toespraak naar aanleiding van 25 jaar emancipatiebeleid in Nederland. Is het vooral een kwestie van heropvoeding van mannen en van betere voorzieningen? Het verhaal is complexer en begint eerder.

Ver voor het begin van het zoogdierentijdperk, waarin de mens zo'n vijf miljoen jaar geleden in zicht kwam, diende seksualiteit en alles wat daarbij hoort – aantrekkingskracht, paargedrag, opwinding, orgasme – de voortplanting. Door de introductie van `de pil' en andere vormen van moderne anticonceptie in de jaren '60, waren mensen plotseling in staat om seksualiteit en voortplanting van elkaar te scheiden. De mogelijkheid van effectieve anticonceptie is een belangrijke voorwaarde geweest voor de emancipatie van vrouwen, niet alleen van een kleine bovenlaag, maar van elke vrouw.

Het leidde tot een omwenteling van onze maatschappij: de wereld na 1970 was, zeker voor vrouwen, fundamenteel anders dan die van voor 1960. Vrouwen kregen steeds later en steeds minder kinderen of werden vrijwillig kinderloos. Hun achterstand in opleidingsniveau werd snel ingehaald, ze gingen deelnemen aan het arbeidsproces, betraden het publieke domein, lieten meer van zich zien en horen en gedroegen zich minder ondergeschikt.

Ook de overheid begon zich met de positie van vrouwen bezig te houden; de eerste kabinetsnota over emancipatiebeleid verscheen in 1978. Het ging toen vooral om bewustwording, het tegengaan van discriminatie en seksueel geweld en de bevordering van de invloed van vrouwen op de politieke en maatschappelijke besluitvorming. De afgelopen tien jaar ligt de nadruk op de economische zelfstandigheid van vrouwen door het bevorderen van hun arbeidsparticipatie. Het `combinatiescenario' komt er op neer dat vrouwen meer betaalde arbeid moeten verrichten – goed voor hun zelfstandigheid en de economie – en mannen meer zorgtaken op zich moeten nemen. Aan het einde van hun werkzame leven moeten beiden evenveel tijd hebben besteed aan betaalde arbeid en zorgtaken.

Maar wat in deze blauwdruk niet wordt vermeld is hoe moeilijk het is om kinderen en carrière te combineren.

Tot de komst van een kind gaat het leven van jongeren gelijk op: ze volgen een opleiding, werken, reizen, gaan uit, en experimenteren met seks en relaties, een fase die zo lang mogelijk gerekt wordt. Met de komst van een kind is de tijd van vrijheid en gelijkheid voorbij, want vrouwen moeten dan meestal een stap terug doen op het gebied van werk en inkomsten. Over de beslissing wel of geen kinderen wordt vaak lang getobd en van uitstel komt soms afstel. In de spreekkamer van huisarts en gynaecoloog blijkt hoe moeilijk die beslissing is, hoe onvrijwillig vrijwillige kinderloosheid kan zijn en hoe beperkt de keuzevrijheid. Vrouwen voelen zich onder druk gezet door werkgever, partner of eigen ambitie: ze hebben het gevoel zich geen kind te kunnen permitteren, maar voelen het als een groot gemis als `het er niet van komt'. Als er toch een kind komt, blijkt de stress veroorzaakt door de combinatie van arbeid en gezin vaak zo zwaar, dat veel vrouwen zich geheel of gedeeltelijk uit het arbeidsproces terugtrekken. Meestal tijdelijk, maar als ze terugkomen hebben ze een onoverbrugbare achterstand opgelopen ten opzichte van mannen, en steeds vaker ook ten opzichte van vrouwen zonder kinderen. Ook op collectief niveau begint zich een groot probleem af te tekenen. Doordat het gemiddelde aantal kinderen per vrouw steeds verder daalt, zullen steeds minder jongeren de zorg en kosten moeten opbrengen voor steeds meer langer levende zorgbehoevende ouderen. De voortgang van de emancipatie loopt niet als gewenst, de werkelijkheid blijkt weerbarstig.

De huidige opvattingen over emancipatie en man-vrouw verhoudingen stammen uit de jaren '70, toen men heilig geloofde in de maakbaarheid van mens en samenleving. Menselijk gedrag werd bepaald door `cultuur', door opvoeding en omgeving, en niet door `natuur'; het was maatschappelijk en wetenschappelijk niet correct om te denken dat erfelijkheid hierbij een grote rol speelde. Het was achterhaald om te denken dat er typisch vrouwelijke of mannelijke bezigheden of bekwaamheden bestaan. Het enige nadeel van een vrouw is dat ze er op de gekste tijden tussenuit moet om een kind te krijgen en daarvoor langdurig zwangerschapsverlof opneemt, dat in ons land in de categorie ,,langdurig ziekteverzuim'' valt.

In de afgelopen 20-30 jaar is er veel veranderd in de `natuur versus cultuur' opvattingen van de jaren '70. Dit heeft te maken met de spectaculaire ontwikkeling van de moleculaire biologie en genetica en in het kielzog daarvan de gedrag- en evolutiebiologie. We weten nu dat in complexe wisselwerking met de omgeving erfelijke aanleg een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van dieren en mensen; cultuur en natuur zijn beide belangrijk. Dit geldt niet alleen voor lichamelijke kenmerken, maar ook voor gedrag en karakter.

Waarom verschillen mannen van vrouwen? Ze hebben hetzelfde erfelijke materiaal van hun ouders mee gekregen, op één uitzondering na: de man heeft een Y-chromosoom en de vrouw niet. Het Y-chromosoom zorgt er voor dat het onzijdige geslachtsorgaan zich tot zaadbal ontwikkelt. Bij de vrouw ontwikkelt het zich tot eierstok. Zo wordt de ongeboren vrucht overspoeld met mannelijke of vrouwelijke hormonen. Deze zorgen niet alleen voor de typische sekseverschillen, maar – omdat ze inwerken op de hersenen – ook voor verschillen in gedrag.

Maar de optelsom van verschillen – seksuele dimorfie genoemd – is niet alleen het gevolg van de aan- of afwezigheid van dat Y-chromosoom. Tijdens de miljoenen jaren durende ontwikkeling van zoogdier tot mens hebben talloze aanpassingen aan nieuwe woonomgevingen, leefomstandigheden of klimaatveranderingen er voor gezorgd dat er grote verschillen bestaan in de mate waarin de seksuele dimorfie tot uiting komt. In de eerste plaats in uiterlijke kenmerken – bij de gorilla is het mannetje gigantisch vergeleken met het vrouwtje, terwijl bij bijvoorbeeld de gibbon sekseverschillen vrijwel onzichtbaar zijn – maar ook in gedrag. Bij zoogdieren heeft dit te maken met de grote investeringen die een vrouwtje moet doen in de zwangerschap, geboorte en het zogen van haar jongen. Bij sommige diersoorten komt daar nog een lange periode van verzorging bij. Dit is bij uitstek het geval bij de mens en heeft te maken met de spectaculaire groei in hersenvolume gedurende de laatste honderdduizenden jaren van zijn ontwikkeling. Een mensenkind kan daarom alleen geboren worden als zijn hersenen nog onvolgroeid zijn. Het duurt uitzonderlijk lang voordat het op eigen benen kan staan; letterlijk en figuurlijk. Dit alles verklaart de grote verschillen in voortplantingsstrategie die vrouwen en mannen moesten ontwikkelen om hun kans op volwassen nageslacht zo groot mogelijk te maken; de onderliggende drijfveer van alle evolutionaire ontwikkeling.

De vrouw ontwikkelde een empathisch vermogen, zodat ze, gedurende de lange periode tot aan de volwassenheid, beter in staat was om de behoeften van haar kind aan te voelen, bondgenoten te verwerven en te anticiperen op gevaren van binnen en buiten. Het voortplantingssucces van de man was er het meest bij gebaat om een relatie aan te gaan met één of enkele vrouwtjes en haar en haar kinderen tegen gevaren van buiten te beschermen en van voedsel te voorzien. Lichaamsgrootte, spierkracht, agressiviteit, maar ook politiek inzicht en aanleg om gebruiksvoorwerpen te maken, waren voor hem de belangrijke eigenschappen om zijn doel te bereiken. Om in de struggle for life beter in staat te zijn om hun nakomelingen tot aan de volwassenheid te verzorgen en te beschermen, moesten mannen en vrouwen dus andere eigenschappen ontwikkelen. Mannen en vrouwen verschillen daarom niet alleen in uiterlijk, maar ook in denken, voelen en gedrag. Deze verschillen – ontstaan tijdens een lang evolutionair verleden – liggen verankerd in onze genen.

Op dit punt aangekomen begint de socioloog zich altijd wat ongemakkelijk te voelen. De speelruimte in menselijk gedrag is immers groot, het menselijk vermogen om te leren en te veranderen is aanzienlijk. Je hoeft maar kennis te nemen van de antropologie en de geschiedenis om te beseffen hoezeer cultuur verschilt en verschil maakt.

Ook ideeën en idealen hebben invloed, zoals het feminisme. Vrouwen hebben hun onderwijsachterstand ingelopen en zijn de arbeidsmarkt ingestroomd. Het leven van mannen en vrouwen gaat nu een tijdlang gelijk op. Maar dan komt er iets in het gedrang: het verlangen om kinderen te krijgen en daarvoor te zorgen. Dan doen de mogelijkheden en de grenzen die de biologie stelt zich gelden: het zijn de vrouwen die de kinderen krijgen, en haar vruchtbaarheid daalt met de jaren.

In het beleid worden de verschillen in biologische uitrusting veronachtzaamd. Emancipatie wordt opgevat als gelijkheid, en gelijkheid als eenvormigheid, in die zin dat het leven van vrouwen gaat lijken op dat van mannen. Als emancipatie zou worden opgevat als gelijke kansen op ontplooiing, dan leidt dat tot een ander verhaal, want voor veel vrouwen hoort daar het moederschap bij. En dat komt, zoals we zagen, vaak in de knel vanwege botsende ambities tussen werk en moederschap.

Hoe valt dat anders te organiseren? Het meezorgen van mannen scheelt, maar blijft een moeizame affaire. We kunnen kijken welke oplossingen elders zijn gevonden, de Scandinavische landen zijn hierbij het schoolvoorbeeld. Hieruit valt in elk geval te leren hoe onmisbaar goede voorzieningen zijn. Vergeleken met andere Europese landen loopt ons land op een gênante manier achter. Niet wat betreft de 18 weken zwangerschaps- en bevallingsverlof – het Europese gemiddelde – , maar wel ten aanzien van alles wat daarna komt: de 2 dagen kraamverlof voor de vader, de 13 weken onbetaald ouderschapsverlof (in Zweden wordt dit 1 jaar bijna helemaal vergoed; met Griekenland en Ierland bezet Nederland een gedeelde laatste plaats), zorgverlof voor zieke kinderen (2 weken, gedeeltelijk vergoed), betaalbare crèches (in de meeste landen veel beter geregeld + financiële tegemoetkoming), naschoolse kinderopvang (ontoereikend).

Goede voorzieningen blijken weliswaar een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde te zijn. In Zweden bijvoorbeeld was het geboortecijfer een tijdlang hoger dan in ons land (2,1 tegenover 1,6), totdat het ook daar ging dalen tot ons niveau. Dat bleek samen te hangen met de afname van banen in de publieke sector waarin veel vrouwen werken; banen die beter te combineren zijn met de zorg voor kinderen dan die in het bedrijfsleven, waarin de concurrentie groot is en de prestatiedruk hoog. Ook de (bedrijfs)cultuur blijkt dus een belangrijke factor. In een cultuur waarin de nadruk ligt op competitie, economische groei en consumptie hebben kinderen geen prioriteit.

Dat leidt onmiskenbaar tot problemen: voor individuele vrouwen, zoals we zagen, maar ook voor kinderen. Een wijs beleid moet vrouwen de ruimte geven om kinderen te krijgen. Als dit biologisch vermogen vooral wordt gezien als belemmering voor het werk en als hindernis voor de emancipatie, treft dat niet alleen individuele levens maar ook de samenleving. Gezien de vergrijzing van de bevolking zijn kinderen van vitaal belang voor de instandhouding van de verzorgingsstaat.

Egbert te Velde is emeritus hoogleraar voortplantingsgeneeskunde aan de Universiteit Utrecht, Christien Brinkgreve is hoogleraar sociale wetenschappen aan diezelfde universiteit en publiciste.