Doorbreek de heilige coalitie van pretstudenten, middelmatige professoren en angstige bestuurders

Het academisch klimaat in Nederland is erbarmelijk. Universiteiten moeten daarom studenten gaan selecteren, hoger collegegeld vragen, energie steken in hun beste opleidingen en niet alles tegelijk willen doen, en de concurrentie aangaan om de beste studenten binnen te halen, uit binnen- én buitenland.

Het wetenschappelijk klimaat op veel faculteiten is erbarmelijk. Bureaucratie, overvolle collegezalen, een zesjescultuur en gebrek aan wetenschappelijke nieuwsgierigheid bij staf en studenten zijn schering en inslag. Ondanks uitschieters in onderzoek zet de grauwe middelmaat vaak de toon in het onderwijs.

Met de decennialange toevloed van studen- ten naar universiteiten daalde de kwaliteit van de gemiddelde student, omdat elke generatie slechts een beperkt aantal briljante geesten kent. Het financieringsstelsel spoort universiteiten aan grote aantallen studenten te verwerken in plaats van wetenschappelijke excellentie na te streven. Studenten klagen daarom terecht over gebrek aan kwaliteit en intensiteit van onderwijs. Omdat onderwijs saai of slecht wordt gevonden, klussen studenten massaal bij. De gemiddelde Nederlandse scholier gaat het liefst naar de universiteit om de hoek, ook als er betere of geschiktere universiteiten elders in binnen- of buitenland zijn. Goede studenten vertrekken naar een prestigieuze universiteit in het buitenland zodra ze de kans krijgen.

De universitaire crisis in Nederland is niet louter een kwestie van bezuinigingen. De universiteiten worden grotendeels gefinancierd uit publieke middelen en zijn daardoor verstrikt in een kluwen van frustrerende regelgeving, waardoor het erg moeilijk is nieuwe initiatieven te ontplooien. Zo mogen universiteiten maar mondjesmaat aankomende studenten selecteren op belangstelling en aanleg, terwijl dit voor conservatoria, theaterscholen en hotelscholen wel mag. Collegezalen puilen uit met ongeïnteresseerde studenten, waardoor een echte wetenschappelijke dialoog tussen staf en geïnteresseerde studenten schier onmogelijk is. De schaarse middelen worden verspild aan pretstudenten en het talent van de goede studenten wordt eveneens verspild of verkeerd ingezet.

Doordat de overheidssubsidie geen gelijke tred heeft gehouden met de enorme stijging van het aantal studenten op universiteiten, is de subsidie per student fors gedaald. Het kleine beetje extra geld dat universiteiten hebben gekregen, is niet gegaan naar onderwijs of onderzoek maar naar bureaucratie en gebouwen. Universiteiten zijn meer op fabrieken gaan lijken. Studies gericht op wetenschappelijke verdieping en fundamenteel onderzoek voor een klein aantal studenten leggen het loodje.

Het afknijpen van universiteiten zou geen ramp zijn als universiteiten er belang bij krijgen voor het academisch onderwijs ongeschikte studenten af te wijzen of door te sluizen naar het hoger beroepsonderwijs. Of als universiteiten van studenten een extra bijdrage mogen vragen. Studenten zullen dan meer waar voor hun geld eisen. Maar nu mogen universiteiten niet zelf het collegegeld vaststellen. Daarom kunnen standaardopleidingen niet relatief goedkoop worden aangeboden, noch kunnen intensievere opleidingen een hoger collegegeld vragen. Zo wordt concurrentie tussen universiteiten onmogelijk gemaakt.

Universiteiten zijn gebonden aan weten- schappelijke salarisschalen. Topwetenschap- pers in bijvoorbeeld internationale financiering krijgen echter in Groot-Brittannië en de VS snel twee ton per jaar en mijden Nederland. De beste universiteiten in de wereld zijn verwikkeld in een strijd om de getalenteerdste promovendi en de befaamdste professoren aan te trekken. Alleen als dit lukt en er geld is om te investeren in een intensief onderwijsprogramma, kunnen universiteiten de beste studenten ter wereld aantrekken. Helaas moeten Nederlandse universiteiten deze internationale concurrentieslag mijden, omdat de overheid een te dominante financier van de universiteiten is.

De VS geven bijna 3 procent van het nationale inkomen uit aan universiteiten. Het merendeel daarvan komt van studenten, oud-studenten en sponsors. Europa geeft slechts één procent uit. Er zouden veel hogere collegegelden kunnen worden gevraagd, als studenten daarvoor kunnen lenen en alleen hoeven terug te betalen als hun inkomen na de studie voldoende is. Ervaringen in Groot-Brittannië en de VS leren dat ook veel gevraagd kan worden van oud-studenten. De welvarende babyboomers hebben hier een dure plicht. Daarnaast kunnen universiteiten meer geld uit de markt halen.

De econoom Lans Bovenberg heeft de premie van zijn Spinozaprijs verveelvoudigd met extra bijdragen van banken en verzekeraars voor NETSPAR, zijn netwerk voor onderzoek naar vergrijzing. Knap is het als sponsoring door het bedrijfsleven niet wringt met de wetenschappelijke vrijheid. Dit initiatief is de drijvende kracht achter de renaissance van de economiefaculteit van de Universiteit van Tilburg. Het is een lichtend voorbeeld voor anderen.

De filosofie van liberale bewindslieden als Loek Hermans, Annet Nijs en Mark Rutten legt de nadruk op meer autonomie voor universiteiten. Die beleidslijn heeft veel schade aangericht. Regulering is immers nodig om machtsmisbruik van monopolistische universiteiten te voorkomen. Regulering is ook vereist om te voorkomen dat marginale vakgebieden zoals de kleine talen ten onder gaan in de concurrentieslag tussen ondernemende universiteiten, terwijl modestudies als communicatiestudies en culturele studies floreren. Een beschaafd land waardeert ook essentiële vakgroepen zonder veel studenten. Bedreigde studies zouden elke vier jaar subsidie kunnen aanvragen. Meer in het algemeen moet de bekostiging meer bepaald worden door kwaliteit van het onderwijs en wetenschappelijke prestaties dan door het aantal studenten.

Universiteiten zijn als concerns gaan opereren. Megalomane bestuurders van de Universiteit van Amsterdam kiezen zonder overleg met wetenschappelijke staf voor prestige-objecten als de bouw van een megabibliotheek, een onzinnige fusie met het hoger beroepsonderwijs en een prestigieus uitwisselingsprogramma met New York University. Dergelijke budgetmaximerende bureaucraten verwaarlozen kwaliteit en diversiteit van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. De Universiteitsraad was verre van ideaal, maar vroeger gaf deze tenminste nog tegengas. Nu staan hoogleraren en studenten buiten spel en leggen universiteitsbestuurders slechts verantwoording af aan een raad van toezicht. De toezichthouders hebben vaak geen enkel benul van het reilen en zeilen van een universiteit en doen het er meestal bij naast drukke hoofdactiviteiten in het bedrijfsleven. Kortom, de markt disciplineert de universiteiten niet, de overheid doet het ook niet of steeds minder, en interne tegenkrachten zijn afgebroken.

Een universiteit is geen bedrijfsconcern, maar een non-profitorganisatie die moet investeren in een zo hoog mogelijke wetenschappelijke reputatie. Dat betekent een kleine, slagvaardige organisatie van hoge kwaliteit gericht op de kerntaak: wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Fusies met het hoger beroepsonderwijs verwateren de wetenschappelijke kerntaak. Wat dat betreft voert de Universiteit Leiden een betere strategie dan de Universiteit van Amsterdam. De optimale omvang van een universiteit ligt in de buurt van vijf à twintigduizend studenten, zeker niet meer dan honderdduizend studenten. De nieuwe universiteiten in Maastricht, Tilburg en Twente zijn kleiner en kunnen daardoor slagvaardiger en minder bureaucratisch optreden. De afstand van wetenschappers en studenten tot management is daar kleiner.

Nederlandse universiteiten bieden te veel eenheidsworst en willen niet de kop boven het maaiveld uitsteken. Zo willen veel decanen en universiteitsbestuurders in alle vakgebieden uitblinken. Dit is echter onmogelijk, zodat het beter is te kiezen voor excellentie in die vakgebieden waarin de universiteit zich kan meten met de wereldtop. Helaas heerst er gebrek aan differentiatie in het onderwijs binnen en tussen universiteiten. Het is beter als de ene opleiding excelleert in een vakkundige, brede vorming voor de minder onderzoeksgerichte student en de andere opleiding excelleert in diepgaand onderzoeksgericht onderwijs op de vierkante millimeter.

De nieuwe driejarige bachelor-, een- of tweejarige master- en driejarige promovendi-opleidingen sporen aan tot effectievere concurrentie tussen universiteiten. Ze bieden ruimte voor differentiatie en geven studenten de kans na een bachelor of master te switchen naar een betere of geschiktere opleiding op een andere universiteit in binnen- of buitenland. Bovendien brengen ze het ideaal van permanente educatie dichterbij en kunnen studenten zich veelzijdiger vormen door bijvoorbeeld een bachelor te doen in wiskunde of techniek gevolgd door een master in een sociale wetenschap. Zo worden risico's van een specialistische bètastudie beperkt en durven meer scholieren de stap naar een bètastudie te maken.

Nederland loopt achter, want de meeste bachelors en masters zijn ontstaan door het opknippen van oude doctoraalopleidingen en nagenoeg geen student maakt gebruik van de mogelijkheid van een overstap naar een andere universiteit, een andere discipline of een ander land. Bovendien is de kwaliteit van de nieuwe masters vaak minder dan die van de oude doctoraalopleiding en minder dan van vele Britse of Amerikaanse masters, terwijl de politiek topmasters te elitair vinden.

Universiteiten moeten geen sociale werkplaatsen voor minder begaafden zijn, maar centra van excellentie. De overheidsfinanciering moet daarom op heel andere leest geschoeid worden. Richt subsidie op de begaafdste studenten, niet op zwakkere studenten. Als er al aanvullende beurzen worden verstrekt aan studenten met minder draagkrachtige ouders, onderwerp deze beurzen dan aan minstens zo harde prestatieeisen. Scherp prestatie-eisen aan, zodat studenten alleen in aanmerking komen voor een beurs als zij in het vastgestelde studietempo afstuderen. Maak korte metten met automatische herkansingen en allerhande bijbaantjes. Dit vereist een doorbraak van een heilige coalitie tussen middelmatige studenten, middelmatige stafleden en angstige bestuurders.

Studenten moeten voor de volle honderd procent studeren gedurende collegetijd. Aan Amerikaanse universiteiten en in Londen werken de studenten ook in het weekend en op paaszondag keihard. De overige acht weken van het jaar kunnen voor vakantie, stages of baantjes worden benut. Zo zijn bevlogen docenten verlost van studenten die voor de zoveelste keer hertentamen doen en van de gekmakende situatie dat de ene student wel voluit studeert en de ander niet. Studenten moeten leren dat er niets mis is met extra lenen om zich voluit te kunnen inzetten voor wetenschappelijke studie en verdieping.

De overheid moet subsidies richten op studies met een hoog maatschappelijk, en niet een hoog privaat rendement. Nu geeft de overheid forse subsidies aan praktijkgerichte studies waarvoor een hoger collegegeld gevraagd kan worden en sponsoring gevonden kan worden en waarvan afgestudeerden een relatief hoog salaris gaan verdienen. Dat geld kan beter ingezet worden voor studies waar het maatschappelijk nut het meer-inkomen voor de afgestudeerde overstijgt. Te denken valt aan de kleine talen, theoretische wiskunde of geschiedenis. Dit betekent afschaffing van vaste subsidies per student.

De reputatie van een universiteit stoelt op haar toonaangevende wetenschappers en op de kwaliteit van haar afgestudeerden. Waardeer daarom de beste studenten en neem afscheid van minder begaafde of minder hard werkende studenten. Maak gebruik van externe examinatoren en investeer in de beste opleidingen. Breek het bastion van insiders open en neem, net zoals Harvard, geen eigen afgestudeerden meer aan. Accepteer dat het Engels de wetenschappelijke voertaal is en eis dat van staf en studenten. Koester excellente wetenschappers met een wereldwijde reputatie en een hoge maatschappelijke betrokkenheid als Robbert Dijkgraaf, Frits van Oostrom, Lans Bovenberg en Ronald Plasterk. Zorg dat hun stem telt in plaats van die van kleurloze bestuurders die door gebrek aan gewicht naar boven komen drijven.

The Economist stelt dat universiteiten op veel grotere schaal op wereldniveau moeten concurreren om de beste Chinese, Indiase, Japanse, Amerikaanse en Europese studenten aan te trekken. Nu studeert slechts 2 procent van de studenten in het buitenland. Dat percentage zal groeien in de komende jaren. Zo ontvluchten Duitse studenten hun overvolle collegezalen door naar Engeland te vertrekken. De beste Italiaanse studenten geven mamma's pasta op en vertrekken zodra ze de kans krijgen naar een topuniversiteit in de VS. Nederlandse universiteiten moeten ernaar streven dat in 2020 de helft van de studenten uit het buitenland komt. De markt voor universitaire studies en onderzoek is immers een mondiale groeimarkt.

Buitenlandse studenten zijn niet alleen een melkkoe, maar zijn gemotiveerder, werken keihard en dragen bij aan het kosmopolitische en wetenschappelijke karakter van de universiteit. Het zou helpen als Nederlandse studenten hun beurzen en leningen mogen aanwenden voor studie aan gerenommeerde buitenlandse universiteiten. Alleen als universiteiten niet meer op aantallen studenten worden bekostigd én studenten hun biezen kunnen pakken als universiteiten onvoldoende kwaliteit leveren, ontstaat een echte concurrentieslag om het beste talent onder scholieren binnen te halen.

Het is nu of nooit. Nederland heeft excellente wetenschappers en goede scholieren. Onze universiteiten moeten de strijd aangaan met Warwick, Oxford, Cambridge, Londen, Toulouse, Barcelona, Harvard, MIT, Stanford en andere topuniversiteiten. Het vergt een radicale koerswijziging van universiteiten, bestuurders en politiek. Onze welvaart kan niet zonder een sprankelend en internationaal universitair klimaat.

Hoogleraar economie, Europees Universitair Instituut te Florence en Universiteit van Amsterdam, en programmaleider openbare financiën aan de Ludwig-Maximilians-Universität te München. Hij was van 1998-2002 staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (PvdA).