De krant antwoordt

De krant had niet mogen publiceren ,,zonder een grondig bronnenonderzoek, voorzover nog mogelijk'', zo luidt de stelling van de lezer over het artikel in het Zaterdags Bijvoegsel over Jan Campert. Ook de externe krantenrecensent Piet Hagen schreef over deze kwestie op 4 maart in `Krant Achteraf', terug te vinden via www.nrc.nl. Dit stukje is daarop geen repliek, maar veeleer een poging om toe te lichten welke keuzes de redactie deed en voor welke dilemma's we stonden. Zuiver gemeten naar journalistieke maatstaven is één ,,getuigenis van horen zeggen'' niet voldoende om een artikel op te baseren. Maar soms is de scheiding tussen journalistiek en geschiedschrijving niet zo scherp te trekken en kom je tot de conclusie dat het toch verantwoord is om uit zo'n bron te putten. Dat is in het strafrecht sinds 1927 trouwens ook zo (NJ 1927/85 arrest Hoge Raad: `Testimonium de auditu is toch toelaatbaar'). De rechter sprak toen van ,,uiterste behoedzaamheid'' en vond dat niet kon worden verlangd van dergelijke informatie helemaal geen kennis te nemen, al was het maar omdat er áltijd uiterste zorg en nauwkeurigheid betracht moest worden bij het beoordelen van bewijskracht.

Heeft de krant juist gehandeld, gemeten naar deze strenge juridische norm? In dit geval werd de bron algemeen als betrouwbaar en gezaghebbend gezien en werd diens informatie door eveneens gezaghebbende historici als `aannemelijk' beoordeeld. De biograaf van Jan Campert beschouwde de informatie eveneens als relevant en betrouwbaar. Ware hij er tijdig van op de hoogte geweest, dan had hij die ook gepubliceerd in zijn recente biografie. De informatie spoorde volgens hem met het beeld dat hij in zijn boek al had geschilderd van een artistieke vrijbuiter die zich aantoonbaar vaker in het schemergebied tussen collaboratie en verzet had begeven. De biograaf stuitte bovendien op naoorlogse pogingen om informatie over Jan Campert zoek te maken en op vroege bedenkingen bij het vernoemen van de stichting naar Campert. Hij noemde de getuigenis van de bron uit de krant mogelijk `de sleutel' tot dit raadsel.

Journalistiek sta je dan voor de vraag of van de redactie, in de formulering van de Hoge Raad, ,,kan worden verlangd'' dergelijke informatie uit de krant te houden. Of zou het misschien mogelijk zijn met uiterste behoedzaamheid, zorg en nauwkeurigheid de lezer toch iets te vertellen dat meer licht werpt op de raadselen rond Jan Campert. Ook al weet je dat je niet het definitieve antwoord kunt bieden, omdat iedereen die het feitelijk heeft meegemaakt, dood is?

Journalistiek is het riskant om nieuws te brengen dat omgeven is door mitsen en maren. Dergelijk nieuws `genuanceerd' brengen doe je door te kiezen voor een kop tussen aanhalingstekens als het gaat om een bewering. En dan vooral niet te vet of te groot, bijvoorbeeld over slechts één kolombreedte. Verder vertrouwen we op het vermogen van lezers om te lezen wat er staat en dat (ook zelf) te wegen. ,,Voor wie de nuance zoekt'' was niet voor niks jarenlang de reclamezin van de krant.

Maar ook dan weet je nog niet wat je aanricht. Nieuws wordt nooit tussen aanhalingstekens of in kleine kopletters doorverteld. Hoe genuanceerd we ook proberen te zijn, in het `format' van kranten zit per definitie opwinding ingebakken. Volgens een apocriefe definitie is nieuws immers ,,datgene wat je 's ochtends op straat als eerste tegen je buurman wil roepen''. En dan kan het gebeuren dat stichtingsbesturen in verwarring raken en niet meer kunnen kiezen achter wie ze moeten staan: de dichter, de verzetsstrijder of de gevangene in doodsnood. Mij lijkt het verhaal van Jan Campert een herinnering aan de beperkingen van het denken over de oorlog in de absolute morele categorieën `goed' en `fout'. En dat was ook de journalistieke verdienste van het artikel, dat publicatie uiteindelijk verdiende.

lezerschrijft@nrc.nl