Californische bergen

Ellen de Bruin moest zo nodig met de trein van Los Angeles naar San Francisco, dat zou zo mooi zijn: ruim twaalf uur, één overstap

Het kust- en berglandschap van Californië heeft een reputatie. Wie de roadmovie Sideways gezien heeft, over twee midlifende mannen die er in een auto doorheen rijden, kan zich er iets bij voorstellen. Het is mooi. Volgens de Amerikaanse treinmaatschappij Amtrak is het zelfs adembenemend. Een uitzonderlijke, ontroerende ervaring. Een onderbreking van de realiteit. En als je er genoeg van hebt, gaat de brochure verder, kun je zelfs een lampje boven je hoofd aandoen en een boek gaan lezen, in de `Coast Starlight'.

In Amerika worden treinen niet gewoon naar hun bestemming genoemd, maar hebben ze een echte naam. Als een cruiseschip. Niet dat het helpt: veel Amerikanen vinden de trein een onprettige, tijdrovende manier om zich te verplaatsen. Maar wie vertelt dat hij middenin een Amerikarondreis van Los Angeles naar San Francisco moet, krijgt toch ineens van alle kanten het advies om dan niet het vliegtuig maar de trein te nemen. Dat zou zo mooi zijn, weten ze allemaal via via.

UNION STATION

Dus stap ik op een mooie, zonnige dag-in-wording om acht uur 's ochtends in een taxi naar Union Station in Los Angeles, met een treinreis van twaalf uur met één overstap voor de boeg – min of meer gelijk aan mijn vliegreis van de week ervoor, van Amsterdam naar de States. Ik lijk wel gek. Je toekomstige zelf is toch altijd de sucker van je persoonlijkheid: degene die je moeiteloos kunt opzadelen met alles wat je zelf even niet uitkomt of waarvan je de consequenties niet overziet. Het is alleen jammer dat je het op een gegeven moment zelf wordt. Mijn taxichauffeur biedt overigens aan om de hele rit in zes uur te rijden, maar daar ga ik niet op in, dat zou valsspelen zijn. Vervolgens rijdt hij een onheilspellende achterbuurt in. Dat blijkt gelukkig te zijn omdat daar het station ligt.

Union Station is prachtig, dat wel. Een oud gebouw vol grote, bruinleren fauteuils met daarop wachtende mensen. En een klein tuintje, ook met wachtende mensen. Heel andere wachtende mensen dan je meestal op vliegvelden ziet: geen succesvolle witte mensen in pak met laptop, iPod en mobieltje. Treinreizigers zijn meestal zwart en/of boven de vijftig en dragen een joggingpak of iets waar lang geleden wel vorm in heeft gezeten. Ze kijken alsof ze er niet op rekenen dat het de wereld iets uitmaakt of ze bestaan, maar dat dan wel op een redelijk blije manier. Zo zien mensen met vrije tijd eruit. Het zijn kennelijk geen mensen van wie de Amerikaanse regering veel gevaar verwacht. Op vliegvelden moeten voortdurend je schoenen, je jas en je oorbellen uit, maar Amtrak kent geen enkele vorm van veiligheidscontrole. In plaats daarvan heeft het personeel een bureaucratische estafette aan kaartcontrole en coupé- en plaatstoewijzing georganiseerd die potentiële terroristen de moed waarschijnlijk ook wel ontneemt.

Maar uiteindelijk zitten we toch. Rechts naast mij een zwijgzame, zwartgemutste puber; daarachter, aan de overkant van het gangpad, twee bejaarde Zuid-Amerikaans ogende dames van wie er één een soort havermoutpap uit een meegebrachte plastic zak begint te eten. Alle reden om de blik het raam uit te richten, waar straks het beloofde landschap begint.

HET LANDSCHAP

Tja, het landschap. Het begint met wat lelijke buitenwijken van Los Angeles, maar dat viel te verwachten. Daarna een kuststrook met enorme parkeervakken, waar de Amerikaanse campers die er triest staan te recreëren precies inpassen; mensen zitten er op klapstoeltjes naar de eindeloze reeks booreilanden te kijken. Dan een petroleumfabriek. Eventjes wat prachtig geometrisch bebouwde akkers, bij Santa Barbara – dan weer vlaktes met koeien erop, en die hebben wij beter. Dorre hellingen met schapen, als in Griekenland. Hier en daar een grimmig boerengehucht of het ineens veel te groene ruimtelandschap van een golfcourse. Er valt veel gemakkelijker doorheen te ademen dan ik had gehoopt.

Maar nu we eenmaal aan boord van de trein zijn gelokt, blijkt het landschap ook niet meer de voornaamste atractie. Amtrak wil nu iets anders met ons: we moeten even naar de Dining Car komen, roept de intercom, om te reserveren. Dan kunnen we er later, als onze naam wordt omgeroepen, lunchen en dineren met onze medereizigers, opdat we die leren kennen. Ineens is dat waar het bij Amerikaans treinreizen om gaat.

Inderdaad is de Dining Car een adembenemende ervaring op zich, een ware onderbreking van de realiteit. Er lopen überbeleefde obers in pak tussen netjes gedekte, wild schuddende tafels door – de turbulentie is erger dan in een vliegtuig. Overal zitten opgewekte omaatjes op weg van San Diego naar Seattle. Het betreft hier een groepsreis en de omaatjes heersen. Als ze klaar zijn met letterlijk het aan elkaar voorlezen van de menukaart en het rapporteren van prijs en portiegrootte van alle maaltijden die ze op deze en eerdere reizen hebben mogen genieten, beginnen ze aan hun repertoire `komt een gorilla het café binnen'-moppen. Zeer indrukwekkend. Deze vrouwen krijgen zelfs mijn puberbuur aan het praten. (,,Heb je broers en zussen?'' ,,Nee.'') En ze hebben privileges: ze reizen eerste klas en mogen dus naar de exclusieve filmvertoningen en de wijnproeverij, waarover de intercom ook ons tweede-klassers uitgebreid inlicht. Denken we de volgende keer misschien beter na voor we een kaartje kopen.

Na zeven uur rijden staat de Coast Starlight ineens stil in een dor landschap met een snelweg waarlangs de flets-geelgeverfde thuisbasis van bouwvakkers en wegwerkers is neergegooid. De overstap moet dan nog komen: aan het eind moet ik een uurtje met een bus, van Oakland naar san Francisco. Een dronken Koreaanse buschaffeur, voortdurend hardop in gesprek met zichzelf en zijn medeweggebruikers, zal me rond middernacht in downtown San Francisco droppen, op een paar blokken afstand van mijn logeeradres. Maar dat weet ik nu nog niet. Nu is het wachten eerst op een paar goederentreinen die voorbij moeten, want Amerika verschilt heus niet zoveel van Nederland als de mensen wel eens denken.

SLAPEN EN LEZEN

Het duurt veertig minuten en in die tijd gaat de zon onder in een aanvankelijk blauwe lucht vol langgerekte blozende watten, helaas boven de lelijke gele gebouwen, maar het ding moet érgens boven ondergaan. Aan de overkant van de trein, voorbij de inmiddels diep slapende havermoutdame, staan roodbruine kale bergen het laatste licht op te vangen. Een prachtig uitzicht, echt. En dan is het donker en hebben we nog meer dan vier landschapsloze uren te gaan. Bij het piepkleine plafondlampje valt nauwelijks te lezen, maar over twee uur mag ik weer naar de Dining Car.

Een week later stijg ik op vanaf het vliegveld van San Franciso. Het is dan zo helder dat ik de hele stad als zijn eigen plattegrondje kan zien liggen. En daarna bergen, wat verder naar het oosten, bergen in allerlei kleuren en raar gerimpelde vormen. Het mooiste landschap dat ik ooit heb gezien. Maar zou het Californië nog zijn?