Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Zsuzsa restaureert keramiek en woont met een dozijn katten en vier honden in een dorpje buiten Boedapest. Haar hele huis stookt zij warm met één door haar zelf uit oude bakstenen gebouwde houtkachel. Haar atelier miegelt van die katten en heeft de geur (houtvuur, thee, katten) en atmosfeer van het huis van de Müllers, het huis waar ik ontdekte dat je niet per se paarden hoeft te temmen, maar dat je er ook over kan schrijven.

In Pécs staat de beroemde Zsolnay-aardewerkfabriek. Honderd jaar geleden beleefde de fabriek haar gloriedagen. In de veertig jaar durende gouden eeuw van Hongarije (vanaf de Ausgleich in 1867 tot 1913) toen het land uit zijn voegen barstte van energie, talent en kapitaal, in de tijd dat de dubbelmonarchie louter genieën leek te baren, het Hongaarse graan over heel de wereld stroomde en vervolgens met het goud van datzelfde graan in een mum de Andrassy ut met al haar paleizen met rood marmer en kalksteen werd geplaveid, de tijd dat heel overdonderend schoon Pest als een paddestoel uit de grond schoot en door Franz Jozsef de ene na de andere koopmansfamilie geadeld werd en het ene stadspaleis het andere diende te overtreffen, toen, ja, toen ging het goed met de Zsolnay-fabriek.

In ovens zo groot als autowasstraten maakten vaklieden die met de dag beter werden en meer durfden de prachtigste ontwerpen (tegels, dakpannen, fonteinen, beelden, gevelversieringen) en voerden ze uit in kleuren zoals er daarna eigenlijk nooit meer in het ondermaanse aangemaakt zijn. Turquoise, geel, roze, oranje, kaki, oker, met een volheid die je hedendag niet meer tegenkomt. Ik weet niet waar die kleuren hun ingetogen grootsheid aan te danken hebben – aan dat de ambachtslieden met de hand de vuren opstookten, aan dat de paarden de karren met de gerede producten door de zon naar het station sleurden? Aan de zuivere aarde of aan de onschuld die die vergane wereld in zwartwitfoto's lijkt aan te kleven?

In de tuin van ons huis staat een Zsolnay-fontein, gebouwd in 1881. De dame van wie we het huis kochten was voorzitster van de Hongaarse Astrologen Bond. Ze lag met haar roodgeverfde haar, ietwat corpulent, aangekleed in de kamer bovenop een opgemaakt bed en zei dat ze onmiddellijk wist dat wij de kopers waren. We gaven haar onze geboortedata. Haar man gaf me zijn kaartje, op de ene kant stond een wapen met een ridderhelm met pluimen zo uitbundig dat het me deed denken aan cancandanseressen in de Moulin Rouge met hele lange benen en een string door de bilnaad. Eronder stond in gothische letter; `Baron Cock Huppeldepup'. Als deze man – die eruit zag als een voormalig partijlid: kort van stuk, dikke nek, afzichtelijke schoenen – een baron was, was ik de Maharadja van Djampur. Met een serieus gezicht werd mij het kaartje overhandigd. Mijn kaartjes met `J. Scholten, explosielasser' en ook de kaartjes met `J.F. Scholten, bridgeleraar' waren op, dus ik kon niet anders dan geïnteresseerd het oversized familewapen van baron Cock bekijken.

Afgaande op de astrologe was het in de sterren geschreven dat dit huis voor ons voorbestemd was. Ze zag ook, vertrouwde ze me samenzweerderig fluisterend toe, ik moest naast het bed komen staan, dat ik – ja ik! – een enorm vermogen ging maken in Hongarije. Als ik mijn exacte geboortetijd, op de minuut precies, gaf, kon ze meer in detail treden. Toch handig, zo'n verkopende partij met ter zake doende inside information. De dag daarvoor hadden we het met onze advocaat gehad over de mogelijkheid op het platteland warm water aan te boren en had hij verteld hoe iemand die hetzelfde probeerde op een olieveld was gestuit. Onder dat olieveld zat een gasbel waardoor de olie onder hoge druk eruit spoot. In een straal van honderd meter zaten alle huizen onder de olie. Met behulp van dynamiet was het gat tijdelijk gedicht. Ongewild smolten die opmerkingen, over de omhoog spuitende olie en de rijkdom, in mijn kop samen tot een zoet megalomaan visioen.

De astrologe en de makelaarster voerden ons ondertussen naar buiten om de fontein, dat onovertroffen staaltje Hongaars vakmanschap, te tonen. Hun aanprijzingen klonken als het gekwetter van vogeltjes en drongen nog maar nauwelijks tot me door. De fontein stond achterin de tuin onder de kastanjebomen, hij was een meter of twee hoog. Ik wist wel dat die astrologe de helft van de tijd in der bed lag te fabuleren, maar met het inzicht dat ik de toekomstige Hongaarse Rockefeller was kon ze het voor één keer natuurlijk wel bij het rechte eind hebben, op dezelfde wijze als er tussen de honderden olieboringen op zijn tijd een Bonanza zit.

Zo een beetje voor me uit mijmerend en me afvragend wie dat gigantische olieveld onder onze landbouwgrond nou eigenlijk toebehoorde, ons of de Hongaarse staat, en hoe de verdelingssleutel zou zijn, kuierde ik rond de fontein. Welwillend bekeek ik het kleurige ding: onderaan waren natuurtaferelen in het aardewerk afgebeeld, zwanen tussen het riet, een witte reiger aan de waterkant, bovenop bevond zich een turquoise bol. Het stond in een lelijke betonnen bak, maar goed, daar zouden we zodra de oliemiljoenen binnenstroomden iets aan doen.

De baron snelde met zijn korte beentjes naar een struik verderop in de tuin en draaide een kraan open waardoor de fontein water begon te spetteren. De zonnestralen gaven het hele kleurengamma weer in de druppels – mij deed het vooral aan een gusher denken. En toen zag ik het: in het midden van de fontein, op ooghoogte. Daar was een konisch verlopend stuk met de initialen van de opdrachtgever van de fontein, driemaal herhaald nog wel, zodat je het van alle kanten goed zien kon, de letters sierlijk vervlochten, groot en duidelijk stond het er, in frambozenrood, voor eeuwig in het keramiek gebakken: JS. Als dat geen teken was!

Van de twee voorspellingen van de voorzitser van de Hongaarse Astrologen Bond is er inmiddels één uitgekomen. We hebben het huis gekocht. Verder is het nog even afwachten. We zijn ondertussen begonnen de fontein te laten restaureren.

In een archief is de oorspronkelijke tekening gevonden. De fontein was viereneenhalve meter hoog, met bovenop een vrolijk naakt ventje. Iemand of iets heeft het vernield, ergens na 1933, het jaartal van de laatste foto waar de fontein in zijn geheel opstaat. Ik stelde me voor dat in de nadagen van WO II een stel dronken Kirgiziërs dit stuk Hongaars cultureel erfgoed als schietschijf hadden gebruikt. Eerst een kogel door het hoofd van het blije cherubijntje, daarna een door zijn bolle lichaam. Dan was de meeste lol er wel af: nog enkele verveelde salvo's vanuit de heup op de onderzijde van de fontein en dan verder, de nazi's westwaarts jagen.

Maar Zsuzsa, de restauratrice die al maanden in haar atelier aan de Zsolnay-fontein werkt, heeft alle brokstukken bestudeerd en komt tot een andere conclusie: ,,Nee, het is geen kogel geweest, ook geen bom of handgranaat. De Russen hebben de fontein met een voorhamer kapotgeslagen – zoals ze alles hebben kapotgeslagen.''

,,Erop schieten kan ik me voorstellen, maar met een hamer kapotslaan?''

Zsuzsa richt haar frêle gezicht naar me op: ,,De Russen hebben alles kapot gemaakt, die zaten nergens mee. Ze hebben mijn grootvader vermoord, een oude, ongevaarlijke man.''

Ik kijk haar aan.

,,Ze kwamen om mijn tante te halen, ze was een jonge vrouw. Mijn grootvader zat in de keuken met zijn voeten in een teil warm water toen de Russische soldaten binnenkwamen. Hij wilde hen weerhouden zijn dochter mee te voeren en stond op en begon te schreeuwen. Toen hebben ze hem doodgeschoten, in de keuken, een man van zeventig jaar, met zijn voeten in een teil water.''

,,En de tante?''

,,De buren zijn gekomen. De Russen zijn weggegaan en zijn mijn tante vergeten.''