Verzaligd in de stoofpot

Je ziet wel eens dat een dichter een stukje gedicht van een andere dichter boven zijn gedicht zet. Zoiets heet een motto. Die andere dichter is meestal een beroemde voorganger of een hippe popzanger. De dichter die hem als inleiding op zijn eigen gedicht citeert, bedoelt daar meestal iets mee. Soms gaat die bedoeling niet veel verder dan te laten zien dat hij niet van de straat is: hij kent zijn klassieken en is niet blind voor de ontwikkelingen in de hedendaagse volkscultuur. Een motto kan ook een teken zijn van bewondering, schatplichtigheid of poëticale affiniteit. Maar het wordt pas interessant als het motto en het daaropvolgende gedicht inhoudelijk iets gemeen hebben, en echt leuk wordt het als dat niet onmiddellijk inzichtelijk is. In dat geval dient het motto als een geheime code, die een sleutel aanreikt waarmee je het gedicht kunt binnenkomen of een extra betekenislaag toevoegt aan het gedicht.

In Drievuldig feilloos vals, de vierde bundel van Piet Gerbrandy, heeft elk afzonderlijk gedicht een motto. Anders dan gebruikelijk staan de motto's aan de voet van elke pagina. Ze lopen als ondertiteling mee met de gedichten. Ze vertalen het gedicht in de taal van beroemde voorgangers. Dat werkt bijvoorbeeld zo: een gedicht dat begint met de regels `U en ik deinen verzaligd in stoofpot / in demper van koortsige lenden' is in het oud-Grieks ondertiteld met een citaat uit de Odyssee dat betekent `zij neukten.' Op het eerste gezicht is het niet weinig meer dan een bewijs van het praktisch nut van een klassieke opleiding: wie Grieks kent, weet toch maar mooi waar Gerbrandy's gedicht over gaat.

Maar er is meer. De geciteerde Homerische frase komt onder meer voor in het vijfde boek van de Odyssee, wanneer Odysseus zijn laatste nacht beleeft met de nimf Calypso alvorens ten langen leste zijn barre tocht naar Ithaca te hervatten. Nog in hetzelfde boek zal hij op een haar na verdrinken. In Gerbrandy's gedicht blijkt er ook van alles te verdrinken: `Geluid is echo van plons. Ver buiten / schaatst kutkind voor het laatst haar / vondeloos verstoppertje [...] Wees zo lang nog put waarin ik kalf. [...] Laat mij verdrinking zoeken in uw nap.' De relevantie van de intertekstuele verwijzing naar de Odyssee blijkt op het tweede gezicht groter te zijn dan we op het eerste gezicht dachten.

En dan is er ook nog een derde gezicht. Wat Odysseus afwijst door Calypso te verlaten, is niets minder dan de onsterfelijkheid, die zij hem in ruil voor een huwelijk had aangeboden. Maar je zou kunnen zeggen dat Odysseus alsnog de onsterfelijkheid heeft bereikt, door bezongen te zijn in grootse poëzie. Wie met deze ogen Gerbrandy's gedicht herleest, ziet dat het daar precies over gaat: over seks en sterfelijkheid en over de vraag in hoeverre poëzie aan dat alles iets kan doen. `Wees wit waarop mijn zwart vergrijst.' Het gedicht wordt niet alleen ondertiteld door het citaat, het is erin geworteld en het komt eruit voort, zoals alle poëzie voortkomt uit eerdere poëzie.

Het openingsgedicht is gegroeid uit `omnis divisa in partes tres', een deel van de beroemde openingszin van De Bello Gallico van Julius Caesar, waarin wordt geconstateerd dat Gallië `geheel is verdeeld in drie delen.' Wie het citaat herkent, heeft als lolletje dat hij Caesars dictum `veni vidi vici' kan terugvinden in het gedicht. Maar de ondertitel van het openingsgedicht bevat ook een cruciale leesaanwijzing voor de bundel als geheel. De bundel is verdeeld in drie afdelingen met elk een precies gelijk aantal gedichten. De bundel is, zoals de titel suggereert, waarlijk `drievuldig.' De afdelingen spiegelen elkaar.

Het verdrinkingsneukgedicht is het op twee na laatste gedicht van de eerste afdeling. Het corresponderende gedicht van de slotafdeling eindigt met de regel `Uw deksel opent kringen in het kroos.' Wie deze regel leest met de ogen van het eerdere gedicht, krijgt een flinke lading extra betekenis cadeau. Het `kind' en het niet bij name genoemde wak uit het eerdere gedicht evoceren in combinatie met het `kroos' uit het corresponderende gedicht de beroemde openingsstrofe uit `Het kind en ik' van Martinus Nijhoff: `Ik zou een dag uit vissen, / ik voelde mij moedeloos. / Ik maakte tussen de lissen / met de hand een wak in het kroos.' Wie zich deze strofe herinnert, herinnert zich dat Nijhoffs gedicht gaat over een kind onder water dat alle volmaakte woorden die de dichter ooit hoopt te schrijven, toont en uitwist net voordat hij ze kan lezen. Waarlijk een `kutkind'. Waar in het eerdere gedicht via de Odyssee de mogelijkheid werd geopperd dat de sterfelijkheid door middel van poëzie te bevechten zou zijn, wordt deze hoop in het corresponderende gedicht via Nijhoff uitgewist.

Alle gedichten in deze bundel zijn gedichten over gedichten. Ze komen voort uit wortels die als citaat onder aan de pagina staan en uit andere citaten die in de gedichten worden opgeroepen. In deze zin is de bundel, zoals de titel suggereert, `vals', omdat alles is opgebouwd uit geleende poëzie. De gedichten gaan in gesprek met hun voorgangers en elkaar en deze dialoog ontspint een duizelingwekkend web van mogelijke interpretaties. Maar het werkelijke wonder van deze poëzie is dat zij, ondanks deze intellectuele wapenrusting, concessieloos op de onderbuik durft te blijven spelen door de taal zelf in al haar geilheid en rotting op te zoeken. In de combinatie van intellect en zintuiglijkheid is deze bundel misschien niet `feilloos', zoals de titel suggereert, maar het scheelt niet veel.

Piet Gerbrandy: Drievuldig feilloos vals. Gedichten. Meulenhoff, 87 blz. €13,50