Topstukken tegen een fossiel

Zes grote toneelgezelschappen en tien schouwburgen hebben de handen ineengeslagen en brengen vanaf volgend seizoen de serie Topstukken, een serietje met hernemingen van succesrijke toneelstukken en veelbelovend nieuw werk. Die serie gaat niet zoals vanouds het hele land door, maar is alleen in de tien deelnemende schouwburgen te zien, voor een iets langere periode.

In de eerste plaats is dit een handige marketingstrategie – theaterconsumenten houden van series, zeker als daar een kwaliteitskeurmerk op is geplakt. Verder is het heugelijk nieuws dat de grote groepen en schouwburgen überhaupt eindelijk een samenwerkingsverband hebben gevonden waarin ze de afzet van theater op elkaar kunnen afstemmen. Ook is het een bescheiden nieuwe stap naar een nodig systeem van hernemingen: nu is het vaak zo dat succesrijke toneelstukken vastzitten aan een reeds van tevoren bepaalde, beperkte speelperiode, waardoor ze niet optimaal geëxploiteerd kunnen worden.

Maar Topstukken is vooral een nieuwe stap richting de afschaffing dan wel hervorming van de door de toneelwereld gehate reisverplichting. Toen het Rijk na de Tweede Wereldoorlog begon met het subsidiëren van toneel, stelde het de voorwaarde dat de gezelschappen dan wel hun stukken het hele land door moesten brengen. Inmiddels heeft ieder gat in Nederland zijn eigen schouwburg en trekken de tientallen gesubsidieerde groepen rond in een eindeloze carrousel. Dat is fijn voor het toneelpubliek, dat alles naast de deur kan krijgen. Maar voor de toneelspelers is het een vloek. Steeds langer moeten ze in de file staan, om vervolgens in IJsselstein snel een bak babi pangang naar binnen te werken. Belangrijker bezwaar is dat zo'n tournee vastligt. Als een stuk slecht is of niet aanslaat, moet het toch het hele land door gezeuld worden, tot verdriet van spelers en bezoekers.

Niet voor niets proberen grote groepen al langer onder de reisverplichting uit te komen. Ze sturen nog maar een beperkt aantal voorstellingen op tournee, ze proberen meer in eigen toneelhuis te spelen, en in ieder geval het aantal speelplekken te beperken. Toneelgroep Amsterdam is bijvoorbeeld hard op weg om zich tot huismus te ontwikkelen, met de Duitse stadstheaters als voorbeeld. En gelijk hebben ze, want de reisverplichting is een onzinnig fossiel. In Duitsland is het volkomen normaal dat toneelgezelschappen in hun eigen theater blijven, in Engeland of de Verenigde Staten is het theater zelfs geconcentreerd in één stad. Wie een toneelstuk wil zien, reist er naartoe. Nederland is een piepklein land met een onwaarschijnlijk goed wegennet en openbaar vervoer. Bepaalde soorten theater renderen nu eenmaal veel beter als ze langere tijd op één plaats te zien zijn.

Ja maar, is de veelgehoorde tegenwerping, Nederlanders willen nu eenmaal niet in hun auto stappen voor theater. Joop van den Ende heeft met zijn vaste musicaltheaters bewezen dat dit onzin is. Juist door het tournee-systeem zijn Nederlandse theatergangers verwend geraakt. Laten we de file van toneelspelers ombuigen tot een file van toeschouwers.