Tobberig aan de top

Vrouwen lezen meer dan mannen, maar ze zijn ook het doelwit van steeds meer hulp,- advies- en herkenningsboeken. Welk beeld van de moderne vrouw rijst uit al die praktische en prangende boeken op?

Is het toeval dat de Boekenweek op 9 maart is begonnen, één dag na Internationale Vrouwendag? En dat de Boekenweek eigenlijk elk jaar begint op de eerste woensdag na die feestdag?

Nee, dat is geen toeval. Want laten we eerlijk zijn: vrouwen vormen ook de lézende helft van de mensheid. Boeken zijn, net als andere vormen van cultuurconsumptie (theater, concerten, musea) de afgelopen decennia vooral een vrouwenzaak geworden, en dan met name een zaak van vrouwen boven de veertig. Mannen zoeken ontspanning en verdieping kennelijk elders.

Alle boeken zijn vrouwenboeken en alle Boekenweken zijn Vrouwenweken. Wat betekent dat? Als het verborgen thema van de Boekenweek de vrouw is, wat kan de Boekenweek ons dan leren over die vrouw? Zou je, uitsluitend op basis van literatuurstudie, een fenomenologie van de moderne vrouw kunnen maken? Zodat iemand die nog nooit een vrouw in het echt heeft gezien – zeg, iemand van Mars – zich toch een beeld van haar kan vormen. En als die Marsbewoner vervolgens de planeet aarde bezoekt met die vrouw van letters op zijn netvlies en hij ziet er een van vlees en bloed, zou hij haar dan herkennen?

Dat zal niet meevallen, want vrouwen lezen álles: behalve veel fictie toch ook veel geschiedenis, praktische boekjes en andere hardware. Een portret maken van `de moderne lezeres' op die basis is vrijwel onmogelijk. Dat schiet alle kanten op. Maar geen nood, want gelukkig zijn vrouwen ook zelf, als thema, een aparte niche in de moderne boekwinkel. Er zijn `vrouwenboeken' en sommige van die vrouwenboeken zijn zelfs méér vrouwenboek dan andere.

Dat blijkt tegenwoordig in vrijwel elke grote boekwinkel. De Amsterdamse boekhandel Scheltema heeft op de literatuurverdieping boven een tafeltje zelfs een bordje gehangen met een gekscherend `Women only'. Eronder voornamelijk fictie, thrillers van Saskia Noort en Simone van der Vlugt, ook een klus- en verbouwingsdrama voor `meisjes van vijftig' Het verwende nest (Liza van Sambeek), vrolijke vruchtbaarheidskwesties in het Dagboek van een maffe moeder-in-spe en directe behoeftebevrediging onder de titel Shopalicious! (dat vorige week de CPNB-boekentopzestig binnen denderde op vijf). Elders in het boekenpaleis liggen andere gefeminiseerde kluitjes: zelf- en anderhulp in geval van ouderschap (Boeddhisme voor moeders, Dilemma! Wil ik een kind of niet? en Werkende moeders hebben gelukkiger kinderen), daadkracht in de buitenwereld (Piekerprinsessen en Blijf je werk de baas voor hoog sensitieve personen, Dochters van de maan. De menstruatie in mythen en de moderne maatschappij) en levensverhalen van vrouwen uit niet westerse culturen: Ontwaken in vrijheid. Het bewogen levensverhaal van een Xhosa-vrouw in Zuid-Afrika en Het laatste hoofdstuk. Een Marokkaans vrouwenleven.

In vrijwel al deze boeken – die geen van alle literaire of wetenschappelijke pretenties hebben – draait het in eerste aanleg om één ding: herkenbaarheid. Wat ze verkopen, is een spiegel. Maar er zijn spiegels en spiegels. In de sporadische gevallen waarin uitgevers mannen een spiegel proberen voor te houden, beelden ze daarin meestal een rennende en schietende kerel af, of een zakenman met een groot ego en dito vermogen. Vrouwen echter, krijgen geen wensbeelden in hun boekenspiegels voorgeschoteld. Zij krijgen gepieker, dilemma's, werkdruk en biologisch ongemak. Waarom? Op zakelijk niveau is het antwoord simpel: kennelijk betalen ze graag voor hun eigen problemen. Dus verschijnen die zorgen in hun boekenspiegels – al dan niet aangelengd met de zelfspot van Bridget Jones of een `maffe moeder in spe'.

Susan Nolen-Hoeksema schrijft in het begin van Piekerprinsessen – geweldige titel, vertaling van Women who think too much – over de eindeloze keten van `zorgen, gedachten en emoties' die vrouwen het leven zuur maken. Ze schrijft over het gepieker: `Vaak hebben we het gevoel dat dat gewoon deel uitmaakt van het vrouw-zijn – dat het een uitdrukking is van onze zorgzame, verzorgende kwaliteiten.' Vrouwen kunnen genoegdoening halen uit gepieker, meent Nolen-Hoeksema: `Ze zitten bij elkaar en zwelgen in elkaars emoties, in plaats van elkaar aan te sporen om iets met hun emoties te doen of actie te ondernemen om hun problemen op te lossen.'

Het gaat daarbij overigens voor een groot deel om een generatiekwestie: bij vrouwen van boven de zestig is piekeren geen noemenswaardig probleem meer, waarschijnlijk omdat ze minder druk voelen van de buitenwereld om een leven vol goede keuzes te leiden. Ze hadden immers nooit iets te kiezen, hooguit iets te veroveren.

Ook het heldere Dilemma! Wil ik een kind of niet? van Mirjam van Immerzeel begint met een stevig hoofdstuk `Beslisangst'. Veel praten met moeders en bewust kinderlozen, goed nadenken en dan de knoop doorhakken, luidt de les van Van Immerzeel, die haar lezers bovendien voorhoudt dat je weliswaar eindeloos kunt piekeren over je kinderwens, maar dat kinderen ook een uitstekende remedie zijn tegen piekeren, omdat ze je zo afmatten. `Jonge ouders hebben gewoonweg minder tijd en puf om nog verder te dubben.' Gelukkig maar, meldt het curieuze Boeddhisme voor moeders. Want alles wat je aan problemen bij elkaar piekert, krijg je later op je bord. `Onthoud dat hoe vaker je je zorgen maakt, des te meer zorgen je je zult maken.' Overigens lijkt spiritualiteit in de zweverige New Age-zin op de terugtocht in het vrouwenboek. Alleen de jungiaanse menstruatiestudie Dochters van de maan doet nog een poging om `met Kali in ons kielzog' contact te maken met `ons diepste weten'.

Saillant is dat het enige onverholen optimistische boek, Werkende moeders hebben gelukkiger kinderen, met 88 pagina's ook veruit het dunste is. Het oorspronkelijke Duits schemert nog door de vertaling heen, inclusief het verfrissende aanspreken van de lezer met `u'. En er staan verstandige dingen in: `Denk niet de hele tijd alleen maar aan wat de baby nodig heeft. Ook uzelf hebt dingen nodig.'

Tobben is, zo blijkt uit de verzamelde piekerologie van deze boeken nauw verwant met een ander probleem: niet genoeg voor jezelf opkomen. De oplossingen waarmee de boeken komen, grijpen overmatige introspectie en inertie tegelijkertijd bij de lurven en doen dat door een eindeloze reeks anekdoten en voorbeelden. Carolyn, Charlene, Marla, Abby, Hanka, Anouk, Ümmühan, Marjan, Lilith, Jillian en Julie nemen het heft in eigen handen, zeggen ze hun moeder/vader/broer/vriend/schoonmoeder/man/vriendin/tante/baas waar het op staat, waarna hun assertieve gedrag de lezers tot voorbeeld wordt gesteld. De adviezen zijn nuttig, maar vaak ook simplistisch: U piekert? Stop toch met piekeren, dan bent meteen van het tobben af.

Sommige boeken proberen hun eenvoudige oplossingen met extra kracht aan de vrouw te brengen, zoals Blijf je werk de baas voor hoog sensitieve personen. In dat boek wordt de lezer eerst door middel van een vragenlijst getest op mogelijke `hoge sensitiviteit' waarna uit stellingen (`Ik voel me sterk betrokken bij mensen, plaatsen en dingen, Ik heb tijd voor mezelf nodig, Mijn werk mag niet tegen mijn normen en waarden ingaan') een nieuwe identiteit volgt: die van Hoog Sensitief Persoon. Diens kenmerken worden volgens het boek `vaak vergeleken met vrouwelijke karaktertrekken'. De combinatie van probleemanalyse (te gevoelig voor indrukken, voelt zich soms overweldigd of gepasseerd), vleierij (u bent intelligent, hartstochtelijk en principieel, te vrijzinnig voor een hiërarchische situatie) en etikettering doet denken aan de methoden die sektarisch geïnspireerde organisaties gebruiken om hun klanten aan zich te binden. Je hoeft niet hooggevoelig te zijn als lezer om te beseffen dat hier iemand achter je centen aanzit.

Al dat getob in vrouwenboeken gaat wel samen met een zekere lichtheid van toon en onderwerp: de `persoonlijke' touch. Die lichtheid dient om het piekeren een beetje te relativeren, bijvoorbeeld in boeken over derdewereldvrouwen die geen feministische golf hebben meegemaakt, en voor wie het lastiger is om zich voor te stellen dat keuzevrijheid een probleem kan zijn. Zoals Ontwaken in vrijheid. Het bewogen levensverhaal van een Xhosa-vrouw in Zuid-Afrika, het pijnlijke emancipatie-verhaal van een vrouw (inclusief verkrachting in de huwelijksnacht en vernedering door de schoonfamilie). Twintig jaar geleden zou dat gelden als een geschreven strijdkreet voor de bevrijding van zwarte vrouwen. Maar nu wordt het belang van het verhaal in een inleiding geschetst in relationele termen van `hoop, liefde, teleurstelling, woede en geloof'. Het gaat om de overeenkomst tussen deze Xhosa-vrouw en ons – en dus indirect om de betrekkelijkheid van het moderne piekeren. Kijk eens hoeveel erger het kan! Een zelfde effect heeft Het laatste hoofdstuk, waarin een Marokkaanse vrouw probeert een man te vinden en toch onafhankelijk wil blijven.

Die relativering van het vrouwelijke gepieker wordt nog sterker aangezet in het genre dat zich de laatste jaren als chicklit presenteert. Hier is de spiegel een lachspiegel. In navolging van het prototype Bridget Jones' Diary wordt nog steeds in een gestage stroom titels op ironische wijze belicht hoe de moderne jonge vrouw worstelt met liefde, conventies en consumptiepatronen. Zo gaat het in Sophie Kinsella's Shopalicious! om de cultuurschok die de winkelverslaafde hoofdpersoon Becky krijgt wanneer ze een zus blijkt te hebben die niet van shoppen houdt. Een louterende ervaring, waarmee het boek lijkt aan te sluiten bij een andere bekende uit chicklitland: Amy uit Laura Wolfs Dagboek van een bezeten bruid. Zij is inmiddels een nieuwe fase ingegaan, waarvan de titel Dagboek van een maffe moeder-in-spe weinig te raden overlaat. Het zijn boeken die zo overlopen van de zelfspot dat er van de beschreven problemen hoegenaamd niets blijft hangen, hoewel de lijstjes van akelige zwangerschapsgeheimen die de `maffe moeder-in-spe' bijhoudt (`Geen sushi', `Publieke liefkozingen') niet onzinnig zijn.

Zo lijkt het vrouwenboek-in-engere-zin te bestaan uit twee delen die maar niet met elkaar willen samenvallen. Een topzware zelfhulp-helft met piekeren en twijfelen als rode draad, en een lichtere fictiehelft waarin alles zo wordt gerelativeerd dat er uiteindelijk geen geloofwaardige moderne vrouw meer uit oprijst. Is dat dan alles? Is er geen levende vrouw te halen uit een stapel van twaalf vrouwenboeken?

Misschien toch. In Het verwende nest, de tweede roman van het duo Liza van Sambeek, bespreekt een groep `meisjes van vijftig' vrouwenzaken, zoals nieuwe mannen en praktische bezwaren (`Als ik mijn huis een beetje heb opgeruimd start ik mijn computer, ga naar Google en tik ,,impotentie'' in'). Hier begint langzaam een beeld te ontstaan waarin de tobberige `piekerprinses' en de komische `maffe moeder' elkaar ontmoeten. Alleen gebeurt dat hier nog in een vorige generatie: die van de tweede feministische golf.

Maar er is nog een boek over. Dat is het tweede boek van de meest succesvolle, nieuwe Nederlandse schrijfster van de laatste jaren, Saskia Noort. Het afgelopen jaar werden er van haar thriller De eetclub meer dan 200.000 exemplaren verkocht. Alleen Geert Mak, Dan Brown en de Nieuwe Bijbelvertaling gingen vaker over de toonbank. Gert Jan de Vries, thrillerrecensent van deze krant, kwam zelfs met een nieuwe genre-aanduiding naar aanleiding van het werk van Noort (en dat van Simone van der Vlugt): de `oestrogeenthriller'. Die is het tegengestelde van de al langer bekende `testosteronthriller', gedomineerd door `mannelijke' obsessies als agressie, kracht en gevaar. De Vries schreef: `Kenmerkend voor de oestrogeenthriller zijn: veel emotionele instabiliteit, weinig feiten, een onbereikbaar raadsel en weinig, maar indien nodig vooral onbegrijpelijk en onafwendbaar geweld.' Dat klinkt allemaal misschien niet erg smakelijk, maar wie zonder hoog-literaire verwachtingen De eetclub leest, kan niet anders dan uiterst tevreden zijn. Het boek is een vaardige, spannende, soms verwarrende en bij vlagen zelfs subtiele thriller. Bovendien biedt het de symbiose die de andere vrouwenboeken missen: de volledige vrouw.

Die volledige vrouw is verdeeld over vijf personages: Karen, Hanneke, Babette, Angela en Patricia. Zij wonen als bemiddelde import in een dorp dat herkenbaar moet zijn daar is het woord weer voor iedereen die ook in zo'n dorp leeft en zeker voor degenen die er niet leven: die kennen het uit hun angstdromen. Hoofdpersoon is Karen, een grafisch ontwerpster, die de belangrijke keuzes uit de piekerfase al achter zich heeft gelaten. Het werd bij haar: wél kinderen, géén grote stad, wél luxe, géén avontuur. Maar ze verveelt zich dood. Met een aantal hopelijk gelijkgestemde vrouwen richt ze een eetclubje op (waarin overigens vooral gedronken wordt). Het hele palet aan vrouwelijk gepieker komt aan de orde, zoals in de klassieke ruzie tussen de werkende vrouw die aan zichzelf twijfelt en de huisvrouw die zich aangevallen voelt. We herkennen het gezamenlijk zwelgpiekeren uit Piekerprinsessen hier helemaal.

Omdat ook de mannen toegang krijgen tot de eetclub verandert het een en ander al snel in een hitsig gezelschapsspel, waarin het er alleen maar heter aan toe gaat als de eerste dode is gevallen. Seksuele lust blijkt de drijvende kracht achter de oestrogeenthriller. De heldin komt ten slotte tot overspel in het al even onvermijdelijke schuurtje. Om het cliché helemaal af te maken heeft de man in kwestie wat postuur en beharing betreft iets weg van een aap en krijgt de seks de volgende omschrijving: `We neukten als hunkerende beesten in het donker, hijgend, smakkend, trillend en grommend.'

Wat De eetclub interessant maakt, is dat deze bestseller laat zien hoe de ironische lichtheid van de chicklit (`Klagend over onze mannen dronken we de fles chablis leeg') vergezeld kan gaan van serieus geweld (twee doden). Bovendien slaagt het boek erin de impasse van de eindeloze piekeraarster op een originele manier te doorbreken. Karen, vintage piekerprinses, stopt met nadenken en stort zich in de opwinding van het overspel. Ze raakt gevangen in de bekende spiraal van negatieve gedachten. Ze lijkt paranoïde te worden. Op driekwart van de roman verdenkt ze iedereen van alles, en beziet ze de wereld met een uitgesproken cynische blik. En warempel: dat werkt, zowel voor haar als voor de lezer. Het mysterie in De eetclub wordt opgelost doordat Karin net langer doorpiekert dan je zou verwachten en dus ook op andere verbanden komt. En al voordat alles duidelijk is, komt ze in beweging en forceert ze de afloop van het verhaal. Denken en doen zijn eindelijk in balans.

Dat is niet alleen een spiegelbeeld waarvan je je kunt voorstellen dat zoveel vrouwen er hun portemonnee voor hebben getrokken. Het is ook het portret op basis waarvan een belangstellende Marsbewoner zou kunnen denken: goh, dat lijkt me een interessante soort.