Schitterend nietsdoen

Ook in zijn nieuwste film overschaduwen het uiterlijk, de melancholie en de humor van acteur Bill Murray al het andere.

Zou hij nog met meisjes dansen?

Sommige regisseurs werken het liefst met onbekende acteurs omdat die de personages niet in de weg zitten en het verwachtingspatroon van de kijker niet sturen. Regisseurs die voor Bill Murray kiezen, willen dat juist wel. Zij willen fel, zij willen humor, zij willen melancholie, zij willen een blik die als ze niet goed uitkijken hun hele project belachelijk maakt. Filmen met Bill Murray is oppassen geblazen.

De Amerikaanse acteur speelt Steve Zissou in The Life Aquatic with Steve Zissou, een personage dat op Jacques Cousteau gebaseerd is. Over Zissou, een regisseur van films over het leven op zee die meer vissen verzon dan gefilmd heeft, zijn veel tegenstrijdigheden te vertellen. Zissou is aardig en gemeen, dom en slim, arrogant en wanhopig, overmoedig en levensmoe. De cineast Wes Anderson bedacht hem, een even maf als moeilijk personage. Bill Murray durfde hem te worden. Daar staat hij, als kapitein van het schip. Met een baard en een mutsje, met een loyale bemanning, een weggelopen vrouw, een minnares in spe en misschien een zoon, met twee ogen en een neus en een mond. Wes Anderson filmde lichtgevende kwallen, getijgerde haaien, gestreepte zeepaardjes – ze doen er niet toe zolang Murray ze niet ziet, ze leggen het af tegen pokdalige huid, tegen een beginnende buik, tegen een beweging van een mond, tegen de richting van een oog. Tegen een blik.

Eigenlijk had de film ook wel The Life Aquatic with Bill Murray mogen heten, zo belangrijk is zijn aandeel in de film. Schrijvers en regisseurs valt die eer wel eens te beurt. We hebben William Shakespeare's Romeo + Juliet gehad, Bram Stoker's Dracula en Il Casanova di Fellini. Waarom zou acteurs die lof altijd onthouden worden? Waarom geen Mel Gibson's Hamlet of Marlon Brando's Streetcar?

Lullige retoriek misschien, want het gebeurt niet omdat acteurs in een film nu eenmaal een rol spelen en de illusie niet zo opzichtig doorbroken mag worden. Bill Murray heet in de bioscoop niet Bill Murray maar Bob Harris, Phil Connors, Carl Spackler of Peter Venkman. Maar ik ben benieuwd hoeveel mensen nog weten dat hij zo heette in respectievelijk Lost in Translation, Groundhog Day, Caddyshack en Ghost Busters. Al die Bobs, Johns en Peters zijn waarschijnlijk niemand bijgebleven. Toch mogen filmrecensenten van deze krant niet in hun stukken schrijven dat Bill Murray in Ghost Busters een spook wegvaagt, dat hij in Caddyshack een grondeekhoorn uitroeit, dat hij in Groundhog Day een man over een plas draagt, dat hij in Lost in Translation iets in een oor fluistert. Het zijn de Johns, Pauls en Georges die dat doen. Maar Bill Murray is een Ringo; het zijn zíjn handen die wegvagen, zijn armen die dragen, het is zijn stem die fluistert. De recensenten doen een even hoofse als vergeefse poging mee te helpen de illusie in stand te houden, want wie naar Groundhog Day kijkt, weet wel dat het Phil Conners is die elke ochtend wakker wordt met hetzelfde weerbericht en hetzelfde liedje (I've Got You Babe van Sonny and Cher) op de radio, maar hij zíet Bill Murray, heel groot Bill Murray, nog meer Bill Murray dan er in het echt ooit van te zien zal zijn. Zijn oog kan wel een meter breed zijn, zijn neus het formaat van een vrachtwagen kiezen.

Zo ingewikkeld en zo onbeslist is het goed, want kunst blijft een aangenaam spel van schijn en wezen. Mensen zijn geen vogels die in geschilderde druiven pikken; besef van bedrog is onderdeel van de pret. Een stier die met een houten koe probeert te paren, ziet niet hoe mooi zij op het origineel lijkt. Method acting is misschien daarom vooral iets voor puriteinen. Want het verhaal mag een verhaal zijn, het haar een pruik, de emoties zijn tenminste echt.

IJzeren tafelpoot

Echte emoties. Murray heeft er wel ervaring mee. In de merkwaardige biografie Cinderella Story. My Life in Golf, beschrijft de acteur de eerste keer dat zijn vader om hem moest lachen.

Murray senior lachte niet makkelijk. De eerste keer dat het lukte gaf Bill een imitatie van James Cagney. Nog lachte vader niet, maar toen hij van zijn stoel viel en zijn hoofd gemeen stootte aan een ijzeren tafelpoot, lachte hij wel. ,,When I saw my father laughing, I laughed while crying at the same time. I guess that was some kind of beginning'', meent Murray in de biografie. Echt begon hij een paar jaar later bij het schooltoneel. Hij deed op zijn katholieke jongensschool in Chicago auditie voor een musical, want dan mocht je met meisjes dansen.

De uitstraling van Murray is in de loop der jaren veranderd. In het begin, de tijd van Ghost Busters en Caddyshack, speelde hij vaak maniakken, die met veel energie opbrandden. Nu kan Murray ook boeien als hij helemaal niets doet. In een gewiste scène uit Lost in Translation, die wel te zien is op de dvd van de film, is alle energie verdwenen. Murray doet helemaal niets. Hij zit in de wachtkamer van een Japans ziekenhuis, op zo'n ongemakkelijk kuipstoeltje dat in Amerika al te klein moet zijn voor zijn lange lijf en in Japan helemaal. We zien dat lijf en face, maar zijn gezicht en profil. Hij kijkt naar de man die naast hem zit, in een verder nogal lege wachtkamer. Dat is het enige wat hij doet. Kijken. Het duurt zo lang dat het onontkoombaar wordt: dit is om te lachen.

Wat is om te lachen? Op zijn bekende droogkomische manier zei Murray een paar jaar geleden in een interview met The New York Times: ,,You're asking me what's funny. And I have to say, if it makes me laugh, it's funny.''

Naast een vader die moeilijk aan het lachen te krijgen was, had Murray een grootvader die de lachers makkelijk op de hand kreeg. Kinderen maakte hij bang door zijn kunstgebit uit zijn mond te nemen en ermee te klepperen. Veel volwassenen moesten daar om lachen. Of Murray het gebit alleen als kind heeft gezien, vertelt het verhaal niet. Murray's vader stierf toen hij zeventien was. Murray noemt dat `de grote Switcheroo.' ,,Ik dacht niet dat God de vader van negen kinderen zou wegnemen. Maar hij deed het toch.''

De tijd is goed geweest voor het gezicht van Bill Murray. Rimpels hebben de lidtekens van acne die vroeger zo opvielen naar de tweede plaats gedrongen. Zijn lelijkheid is nu niet meer iets waar hij zich voor lijkt te excuseren. Dat hij grijs en kaal wordt, ach, tja. Murray kan in beeld staan alsof hij zich bewust is van alle ellende die het leven met zich meebrengt. Dat staat hem goed. In de blik heeft puberale wanhoop plaatsgemaakt voor melancholieke haat. Maar berusting is toch een te gemelijk woord voor wat uit Murray's ogen spreekt. Zou hij nog met meisjes dansen?

Bill Murray is aan een comeback bezig. Het is eerder een comeback voor het publiek dan voor de acteur zelf, want tussen 1993 (Groundhog) en 1998 (Rushmore) maakte hij acht films (in totaal maakte hij er vijfenveertig). De cesuur ligt dan ook niet zozeer bij het aantal films waarin hij speelde, als bij de leeftijd van de regisseurs die hem vragen. In de jaren tachtig werkte Murray (1950) met regisseurs en medespelers van zijn eigen generatie, die hij vaak had leren kennen bij Saturday Night Live, het televisieprogramma dat ook Chevy Chase, John Belushi en Dan Aykroyd beroemd maakte, of nog eerder bij de comedy group Second City in Chicago. Met Harold Ramis als regisseur of scenarioschrijver maakte hij meer dan vijf films.

Sinds 1997 werkt Murray met regisseurs die ongeveer twintig jaar jonger zijn. Van Wes Anderson (1969), voor wie hij in drie films speelde, en Sofia Coppola (1971), voor wie hij in Lost in Translation schitterde, wordt hij zelfs de muze genoemd. Murray geeft als verklaring dat hij een filmster was toen deze regisseurs begin jaren tachtig naar films begonnen te kijken. ,,Ik zou hun vader kunnen zijn, en dan ook nog eentje die grappig is en nooit te boos wordt.''

Naar verluidt wilde Sofia Coppola geen andere acteur voor de rol van verlopen filmster die in Japan een commercial opneemt dan Murray en heeft Wes Anderson hem Steve Zissou op het lijf geschreven. Daarin schuilt helaas ook een van de problemen van de film. Murray staat meestal tegenover de wereld, hij is er te slim en te gevoelig voor en dus wordt hij met recht een zak, de klootzak die de wereld verdient. In The Life Aquatic valt dat contrast weg; de wereld is in deze film een grotendeels door Murray gecreëerde wereld en dan blijft er weinig over om tegen aan te schoppen.

Te vrezen valt dat Murray's hippe status geen lang leven beschoren is. Hippe dingen blijven nu eenmaal niet lang hip. Wat zou Murray over tien jaar doen? Voorlopig staan er nog veel films op het programma, zoals een nog ongetitelde film van Jim Jarmusch, een zich op Cuba afspelende geschiedenis van Andy Garcia en Basis Instinct II met Sharon Stone, maar daarin speelt hij maar een bijrol. Gelukkig. Murray zegt zelf al jaren dat hij liever toneelstukken zou schrijven. Er is er nog geen een verschenen. Ook gelukkig.

Auto-ongeluk

Murray was begin jaren tachtig, door flauwe komedies als Meatballs, Stripes en Caddyshack heel erg beroemd, zo beroemd dat hij in New York wel eens een auto-ongeluk veroorzaakte toen hij op straat ontdekt werd. Prettig vond hij dat niet. Aan mensen die rijk en beroemd willen worden, adviseert hij nog steeds om uit te vinden of rijkdom alleen niet genoeg is. Hij besefte zelf hoe rijk hij was toen hij in een jaar aan het uitzenden van herhalingen van zijn werk op televisie meer verdiende dan zijn vader, een houthandelaar, in zijn hele leven.

Er zijn dingen die leuk zijn om over Bill Murray te weten, ook als hij Bill Murray niet was geweest. Of zijn ze toch alleen interessant omdat hij beroemd (en rijk) is? Een van zijn zussen is non. Hij heeft zes zoons. Hij studeerde filosofie aan de Sorbonne. Hij speelt golf. In plaats van een handtekening deelt hij wel eens een tandafdruk uit. Hij bezit twee honkbalclubs en een restaurantketen met het motto `Eat, Drink and Be Murray'.

Be merry. Be Murray. Het is een woordspeling waar Bill Murray zich voor zou moeten schamen. Bob Harris had er een wenkbrauw bij opgetrokken. Maar hier wreekt zich toch de veronderstelling dat Bill Murray uit de constantes in zijn filmrollen te construeren zou zijn. Die Bill Murray is net zo'n verzinsel als Phil Conners en Bob Harris, al is het niet verzonnen door een regisseur en een acteur, maar door een acteur en zijn publiek. Misschien is die uit films gedestilleerde Bill Murray wel een Gary Grant, die evenmin bestaan schijnt te hebben. Zelfs Archibald

Leach, die onder die naam toch optrad in films, heeft gezegd dat hij wel Gary Grant had willen zijn.

Be Murray. Alsjeblieft niet, zeg. Anders dan Grant is Murray geen held, geen man die mensen willen worden. Al die haat, al die acne, al die melancholie. Maar hij maakt het wel grappig. Dat troost. Bill Murray is het soort komiek dat je in een afgrond lijkt te storten die op het laatste moment toch nog, door de lach, wordt overbrugd. Er is dus een brug.

`The Life Aquatic with Steve Zissou' draait in 8 bioscopen.