Politieke schaduw over Spaanse rouw

Politieke verdeeldheid heeft een zware schaduw geworpen op de nationale rouw vandaag in Spanje.

Een groepje vrouwen staat met kaarsen in de hand naast het ruiterstandbeeld op de Puerta del Sol, Madrids centrale stadsplein. Op hun zwarte t-shirts staan met grote letters namen geplakt: Pilar en Carlos, kinderen die behoren tot de 191 omgekomen slachtoffers bij de terreuraanslagen op 11 maart vorig jaar in Madrid. Al sinds mei staan ze hier iedere woensdagavond, om het publiek te herinneren aan de aanslagen, zegt Nadia, een van de vrouwen. Bij de herdenkingen die vandaag plaatsvinden zal zij, net als de meeste slachtoffers en nabestaanden, niet aanwezig zijn. ,,Dat staat buiten ons. Ik ga de stad uit met de familie. Onze emoties zijn iets intiems, niet publiek'', zegt ze.

De opening van een bos met 191 olijfbomen door de Spaanse en Marokkaanse koning, de onthulling van plakkaten in Madrid en de randgemeenten, het voorlezen van verklaringen: slachtoffers waren grotendeels afwezig bij al die officiële herdenkingen vandaag en gisteren. De behoefte aan intimiteit, maar ook het bittere gevoel dat ze voor politieke karretjes wordt gespannen, deed de slachtofferorganisatie 11-M afzien van alle uitnodigingen. ,,We willen met niemand op een gelegenheidsfoto staan'', verklaarde de presidente van de organisatie, Pilar Manjón, in een eenmalig persoptreden.

Politieke verdeeldheid heeft een zware schaduw geworpen op de nationale rouw vandaag in Spanje. Manjón, die haar 20-jarige zoon verloor bij de aanslagen, hekelde de ,,kinderspeelplaats'' waarin de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen volgens haar in is veranderd. Vandaag presenteerde de commissie een tussentijds rapport met aanbevelingen voor terreurbestrijding. Alle partijen stemden er mee in, behalve de conservatieve Partido Popular (PP) die liet weten dat er meer onderzoek moet plaatsvinden.

Er is meer rumoer op de `kinderspeelplaats'. De PP-woordvoerder in de senaat beschuldigde deze week zonder aanleiding de speciaal ingestelde hoge commissaris voor de slachtoffers, Gregorio Peces-Barba, ervan terroristen te verdedigen. Reeds in januari moest de socialistische minister José Bono een demonstratie van de organisatie Slachtoffers van Terrorisme (AVT) verlaten, omdat hij werd uitgescholden en bedreigd door conservatieve partijleden. Sindsdien is de PP er in geslaagd het politieke schisma door te trekken tot het slachtoffersfront: de AVT, die zich vooral inzet voor slachtoffers van de Baskische terreurbeweging ETA, geldt als het politieke verlengstuk van de conservatieve partij. De slachtoffersorganisatie 11-M van Pilar Manjón wordt ingedeeld in het socialistische blok.

Het maakt deel uit van een strategie van de PP om zichzelf neer te zetten als politiek slachtoffer van de aanslagen. In een lange reeks van incidenten wordt de socialistische partij beschuldigd van manipulatie van de aanslagen waardoor zij de verkiezingen zou hebben gewonnen. Sommige politici en de hen toegenegen pers suggereren dat de socialisten een duivels pact sloten met moslimterroristen, de geheime dienst van van Marokko, handlangers binnen het politiekorps en de Baskische terreurgroep ETA om de conservatieve regering ten val te brengen en misschien zelfs de aanslagen te organiseren.

De politieke paranoia staat haaks op de feiten. Onderzoeksrechters en officieren van justitie hebben al laten weten dat alles wijst op betrokkenheid van radicale moslimgroepen. Wat echter wel duidelijk werd was dat de politie op de hoogte was van de roof van de bij de aanslagen gebruikte springstoffen, maar door gebrek aan interne samenwerking niet had ingegrepen. En waar de politieke verantwoordelijkheid van de vorige regering nog meer knelt: dagenlang werd volgehouden dat de aanslagen het werk waren van de ETA.

Uit het parlementaire onderzoek bleek dat de politie al de avond van de aanslagen op het spoor zat van radicale moslims. Pas twee etmalen later, in de avond voor de verkiezingen, erkende de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Acebes – na de eerste arrestaties – dat de verdachten zich niet in de ETA-hoek bevonden.

Hij werd, net als zijn mede-minister Zaplana, na de verkiezingsnederlaag benoemd tot de belangrijkste woordvoerder van de partij. Het was een teken dat de Partido Popular niet van plan was ook maar enige consequenties te trekken uit de gebeurtenissen. In zijn optreden voor de onderzoekscommissie liet de vertrokken premier José María Aznar – deze dagen geheel afwezig tijdens de herdenkingen _ op verbeten toon weten dat hem niets te verwijten was en dat de ,,intellectuele auteurs'' van de aanslagen zich niet in de woestijn maar in Spanje zelf bevonden.

Het eindrapport van de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 11 maart zal naar verwachting voor de zomer worden gepresenteerd. De kans dat de conservatieve partij de conclusies zal onderschrijven wordt in politiek Madrid uitgesloten. Zelfs de oproep van koning Juan Carlos, tot eenheid in de strijd tegen de terreur, zal hierin geen verandering brengen.