Op zoek naar de mens achter de vent

De schrijver E. du Perron drukte een groot stempel op de Nederlandse literatuur. Hij was een toonaangevend schrijver in de jaren dertig en een voorbeeld voor de naoorlogse generatie. Uit een bijna niet te tillen biografie rijst het beeld op van een rusteloos, bij vlagen maniakaal mens.

Op 2 november 1993 verscheen in Het Parool een advertentie met de tekst: `94 jaar geleden werd de schrijver E. du Perron geboren. Gedenk hem.' Of deze anonieme oproep veel weerklank heeft gevonden, is te betwijfelen. Zelfs toen in 1999 de honderdste geboortedag van Du Perron kon worden herdacht bleef het betrekkelijk stil rond een van de invloed- en kleurrijkste Nederlandse schrijvers van de twintigste eeuw.

De schrijver Du Perron was en bleef dood. Mag je van een biografie verlangen dat iemand als het ware `tot leven wordt gewekt'? Dat is misschien een te romantische eis. Wat wel mag worden gevraagd, is een visie. In de lijvige biografie die neerlandicus Kees Snoek van Du Perron heeft geschreven, ontbreekt die helaas. Talloze levensfeiten zijn in dit boek bijeengebracht, wat een bijzondere prestatie is, maar een interpretatie die leven, tijd en werk met elkaar verbindt, blijft de lezer onthouden.

Niet dat de ruim 1.200 pagina's van deze bijna niet te tillen biografie geen boeiende en soms nieuwe gegevens bevatten. De titel, Het leven van een smalle mens, klinkt haast ironisch voor een werk van een dergelijke dikte. Tenzij men weet dat dit een verwijzing is naar de essaybundel De smalle mens uit 1934, waarin Du Perron zijn wereldbeeld uiteenzette. Een smalle mens keert zich, in de visie van Du Perron, tegen elke vorm van collectivisme en absolutisme en kiest in de relatie tussen individu en maatschappij te allen tijde voor het individu. De smalle mens komt, om met Du Perrons bewonderaar Cees Buddingh' te spreken, tot de overtuiging `dat men slechts door zichzelf tot op de vezel bloot te leggen die waarden kan vinden, welke noodig zijn om het leven houdbaar te maken'. Dat is Charles Edgar, roepnaam Eddy, du Perron ten voeten uit: naar dit ideaal heeft hij geleefd én geschreven, getuige zijn beroemdste roman, Het Land van herkomst.

Snoek heeft ervoor gekozen zijn biografie vrijwel geheel op Het land van herkomst te baseren. In dat boek toont Du Perron zichzelf als mens, hij geeft een niet meer te overtreffen beeld van het kleine en gezette Indische herenzoontje dat uitgroeide tot een groot kosmopolitisch denker, schrijver en (pornografisch) dichter. De biograaf heeft Het land van herkomst waaruit hij bij herhaling grote stukken citeert in feite terugvertaald van autobiografische fictie naar biografische werkelijkheid. Zo krijgen we van alle in de roman gefingeerde namen van personages, steden, hotels en huizen de echte namen te horen. We komen te weten hoe de baboes, de vrienden en vriendinnen die in de roman figureren heten en op welke adressen ze van wanneer tot wanneer hebben gewoond. Interessant voor notoire fans misschien, maar verwarrend voor mensen die een biografie lezen om inzicht te krijgen in een historische figuur in verhouding tot zijn tijd en werk.

Du Perron is uiteraard méér dan de hoofdpersoon Arthur Ducroo uit Het land van herkomst. In 1899 geboren in het toenmalige Nederlandsch Indië, kwam hij in 1921 met zijn ouders naar Europa. Hier ontwikkelde hij zich, wonend in België en Parijs, in rap tempo tot geducht polemist, criticus en schrijver die met grote geesten van zijn tijd op intieme voet verkeerde. Hij keerde in de tweede helft van de jaren dertig terug naar zijn land van herkomst, Indië, maar stierf in Nederland. Op 14 mei 1940, de dag dat Nederland capituleerde, bezweek hij in zijn Noord-Hollandse woonplaats Bergen aan een hartaanval. Later werd bekend dat hij ongeveer op hetzelfde moment overleden is als zijn vriend Menno ter Braak, die zich die avond in Den Haag van het leven beroofde.

De vrijwel gelijktijdige dood van de twee meest vooraanstaande literatoren van het Interbellum, oprichters van het fameuze literaire tijdschrift Forum en mede-initiators van het antifascistische Comité van Waakzaamheid, heeft de twee schrijvers een soort heldenstatus verschaft. Vooral voor de naoorlogse generatie is hun betekenis enorm geweest. Neerlandici werden grootgebracht met hun verzamelde werken, de briefwisseling tussen Ter Braak en Du Perron uit de jaren dertig is door velen verslonden, Het tijdschrift Forum waarin boeken werden beoordeeld op de persoonlijkheid van de schrijvers ervan en minder op de literaire kwaliteit (de `vent' ging boven de vorm) stelde tot ver in de jaren zestig een norm voor literaire kritiek

Du Perrons nog altijd herdrukte Het land van herkomst uit 1935 – hoe zuiver autobiografisch ook – biedt slechts een selectief levensverhaal. Hij schreef het boek voor zijn tweede vrouw, literair critica Elisabeth (Bep) de Roos, in wie hij zijn grote liefde vond en met wie hij in 1932 trouwde. Aan háár wilde hij zo eerlijk mogelijk verantwoording afleggen over zijn leven vóór zij hem kende. Vandaar dat in Het land van herkomst zijn Indische jeugd, zijn seksuele initiatie, zijn hoerenlopen, het leven met zijn ouders op het Belgische kasteeltje Gistoux, de zelfmoord van zijn vader, zijn huwelijk met het dienstmeisje van zijn moeder, de geboorte van zoontje Gilles en zijn contacten met Franse kunstenaars en intellectuelen als Malraux en Pia tijdens zijn Parijse tijd zo'n prominente plaats innemen.

Over zijn contacten met Nederlandse schrijvers, zijn polemieken tegen onder anderen Dirk Coster, zijn vriendschap en correspondentie met Ter Braak, de perikelen met Forum en het Comité van Waakzaamheid schrijft Du Perron in Het land van Herkomst nauwelijks. Menno ter Braak, die erin figureert als Wijdenes, komt sporadisch in het boek voor, omdat Du Perron over de vriendschap met hem en andere literatoren geen verantwoording aan Elisabeth hoefde af te leggen. Zij kende Ter Braak sinds haar studententijd, langer dus dan Du Perron en met de dichter Marsman had ze in 1926 zelfs een kortstondige liefdesrelatie gehad. De kring van Nederlandse literatoren met wie Du Perron verkeerde, zoals Binnendijk, Vestdijk, Slauerhoff, A. Roland Holst en Van Vriesland was haar goed bekend. Reden voor haar echtgenoot daar niet over uit te weiden, maar helaas ook de oorzaak van het feit dat biograaf Snoek de Nederlandse connecties van Du Perron en de verhoudingen binnen de literaire wereld gedurende het interbellum slechts mondjesmaat behandelt. Ten onrechte, niet alleen omdat dit het beeld onvolledig maakt, maar vooral omdat juist de opstelling van Du Perron in het Nederlandse politieke en literaire discours zoveel indruk heeft gemaakt.

Kees Snoek heeft vijftien jaar aan zijn biografie gewerkt. In 1990 promoveerde hij op de dissertatie De Indische jaren van E. de Perron en vervolgens stuitte hij op zijn speurtochten naar biografisch materiaal op talloze ongepubliceerde liefdesbrieven van zijn held aan diverse beminde vrouwen, onder wie Elisabeth de Roos. Het pluspunt van Snoeks levenswerk is dan ook dat er een schat aan nieuwe bronnen is aangeboord. Minpunt is dat de meeste van de opgedolven brievencollecties geen nieuw licht werpen op Du Perron en diens werk. Ze hebben Snoek vooral geholpen om het leven van deze rusteloze workaholic van dag tot dag tot in de meest onbenullige details te reconstrueren.

Niettemin heeft Snoeks speurtocht naar bronnen om de werkelijkheid achter Het land van herkomst bloot te leggen in één opzicht wel een onthullend en onthutsend aspect van Du Perrons drijfveren opgeleverd: de werkelijkheid achter de ziekelijke jaloezie van de hoofdpersoon, die het sleutelmotief van de roman is. Het alter ego van Du Perron, Arthur Ducroo, is geobsedeerd door de verhoudingen die Jane (zoals Elisabeth de Roos in het boek heet) vóór hem met andere mannen heeft gehad. Hij wil Jane kennis laten nemen van zijn eigen liefdesverleden, in de hoop dat zij hem op haar beurt deelgenoot wil maken van haar geheimen. In een dialoog met Heverlé (in werkelijkheid Malraux) zegt Ducroo dat zijn obsessie met eerdere minnaars van Jane niet voortkomt uit bezitsinstinct, maar uit `de drang naar het volstrekte'. Hij wil haar `geheel', inclusief haar vroegere ervaringen, om te ontdekken wat haar `wezenlijke aard' is.

De meest intrigerende passages in Snoeks biografie – helaas gefragmenteerd uitgesmeerd over honderden pagina's – zijn die waarin het drama van Du Perrons retrospectieve jaloezie worden belicht. Ze tonen ons een maniak. Du Perrons obsessie gold de acteur en regisseur Johan de Meester jr. (1897-1986) met wie Elisabeth in 1927 een relatie van een half jaar had en die zij toen als haar grote liefde had beschouwd. De gedachte daaraan was voor Du Perron onverdraaglijk. Toen hij al met Elisabeth getrouwd was, bezocht hij nog toneelstukken waarin De Meester optrad om `de meneer te zien die ik als mijn vijand beschouw'. En hoe Elisabeth hem ook verzekerde dat De Meester geen enkele rol meer speelde in haar gevoelens, in brieven aan vrienden als Adriaan Roland Holst uitte Du Perron, tot vervelens toe zijn `woede tegen elk geheim gebied dat de ander met nog een ander zou kunnen delen.' Aan Elisabeth zelf, die af en toe stapelgek werd van haar mans gedram over haar verleden en soms voor weken het huis ontvluchtte, schreef hij bang te zijn dat zij hem `maar een Indische jongen' vond, niet de man die zij nodig had.

Nadat Elisabeth in 1935 was bevallen van zoontje Alain werd de jaloezie van de jonge vader op De Meester zo hevig dat hij tegenover Marsman sprak over de `kanker' die hem ondermijnde. Hij begon plannen te smeden om De Meester, die hij nooit persoonlijk had ontmoet, aan te pakken. In zijn dagboek noteerde hij welke maximumstraf het Nederlandse wetboek stelde op mishandeling.

Met toestemming van Elisabeth toog hij op 8 januari 1936 vanuit hun woonplaats Parijs naar Nederland om De Meester in elkaar te slaan om zo van zijn obsessie af te komen. Even dacht hij zijn kwelgeest in de Haagse Passage te zien lopen. Meteen, zo schreef hij zijn echtgenote, kreeg hij `een smaak van zwavel in zijn mond' en `2 seconden een geweldige behoefte om erop af te gaan'. Het bleek om een wildvreemde voorbijganger te gaan.

Elisabeth maande hem per brief om toch vooral voorzichtig te zijn. Maar dat was Du Perron niet van plan. Ten eerste stuurde hij zijn vrouw al haar brieven terug, opdat de politie geen belastend materiaal zou vinden als het tot een knokpartij of erger zou komen én hij posteerde zich gedurende twee dagen samen met Marsman in de buurt van de Amsterdamse schouwburg om serieus te kunnen toeslaan. Ook deze keer mislukte de missie: De Meester liet zich niet zien en Du Perron raakte niet van zijn `fantoom' verlost. Zijn jaloezie op de `ploert' die in zijn ogen ooit zijn vrouw had misbruikt, bleef hem tot gek wordens toe kwellen.

Snoek maakt aannemelijk dat Du Perrons vertrek naar Indië in 1936, samen met vrouw en kind, niet, zoals tot toe werd aangenomen, voortkwam uit financiële en politieke overwegingen. Het was een vlucht voor wat hij zijn ziekte noemde, zijn jaloezie. Natuurlijk, Du Perron – na de dood van zijn moeder financieel geruïneerd geraakt – hoopte in Indië geld te verdienen en tegelijk verlost te worden van het grimmige, tot ingrijpende keuzes dwingende, politieke klimaat in Europa. Maar, schreef hij nog op de boot naar Indië, het belangrijkste motief om terug te keren naar het land van herkomst was `de ziekte'. `Als ik die in Indië niet kwijt raak, ga ik eraan kapot. Bij bijna alle mislukkingen heb ik het gevoel dat dit toch mij in de 1e plaats heeft ondermijnd.'

Hij voorzag, als de ziekte bleef doorwoekeren, ernstige crises, ruzies met zijn echtgenote die volgens hem haar geheimen niet met hem wilde delen, echtscheiding zelfs om vervolgens alleen in Indië achter te blijven en daar te vergaan. Mocht hij dit niet uithouden, schreef hij, dan `leen (ik) geld genoeg om naar Europa terug te gaan, wreek mij daar. De rest doet er niet toe'.

Hoe `normaal' was deze zelfdestructieve jaloezie van Du Perron op een schim uit het verleden? Du Perrons echtgenote en vrienden, zo wordt wel duidelijk uit de biografie, vonden zijn gedrag beslist abnormaal, maar hier zou de biograaf er toch goed aan hebben gedaan een psychiater te raadplegen of er literatuur op na te slaan. Het zou interessant zijn te onderzoeken of het syndroom waaraan Du Perron leed, gekmakende jaloezie op voorgangers in de liefde, vaker voorkomt of op zijn minst voor andere mannen herkenbaar is. Vermoedelijk wel, gezien bijvoorbeeld de roman van Julian Barnes Before She Met Me (1982), over een man die steeds meer in zijn eigen fantomen gaat geloven en alles wil weten over eerdere minnaars van zijn jonge vriendin. Het enige wat Snoek in zijn inleiding zegt over deze ziekte is dat Du Perrons obsessie voor een vorige minnaar van zijn vrouw hem – als biograaf – `volkomen vreemd' is, wat me geen aanbeveling lijkt er met de nodige empathie in door te dringen.

Uit de biografie rijst Du Perron op als een tot waanzin gedreven, niet ongevaarlijke gek. Met zorg is die gekte gereconstrueerd door Snoek, maar onvoldoende gethematiseerd en uitgediept en in relatie gebracht tot Du Perrons literaire werk, zijn onzekerheid en tegelijkertijd arrogante en bikkelharde polemieken. De `ziekte' van Du Perron komt, zoals meer aspecten van zijn gecompliceerde persoonlijkheid, zijn vriendenkring en zijn oeuvre (waaronder fabelachtige studies over Multatuli) alleen maar zijdelings aan de orde. Alle wetenswaardigheden over deze smalle mens zinken weg in een onmetelijke nauwelijks gestructureerde woorden- en voetnotenbrij.

Het beste dat over dit overvolle boek kan worden gezegd is dat het een uitputtende bronnenstudie is. Het op één na beste van Het leven van een smalle mens zijn de drie schitterende fotokaternen met veelal niet eerder gepubliceerde kiekjes, opgediept uit talloze privé-archieven. Zelfs een piepklein pasfotootje van Du Perrons grote kwelgeest Johan de Meester jr. ontbreekt niet.

Kees Snoek: E. du Perron. Het leven van een smalle mens. Nijgh & Van Ditmar, 1246 blz. €39,90