Op drift in Overlethe

`Er is altijd dat andere leven, dat je niet leeft. Al ken je het niet, je verlangt er toch naar, je had van jezelf altijd een ander leven moeten leiden dan je hebt. Bij dat verlangen blijft het en dat is jammer. Gelukkig is dat verlangen wel de bron van alle dromen.'

Aan het woord is Felix Favonius, de hoofdpersoon van de nieuwe roman van Allard SchRÖder. Maar de zinnen hadden ook uit de mond kunnen komen van een van de andere personages uit SchRÖders oeuvre. Die van Raaf of Grover bijvoorbeeld, de titelhelden van zijn romans uit 1995 en 1999; of die van Karsch uit De hydrograaf, het boek waarmee SchRÖder twee jaar geleden de AKO-literatuurprijs won. Allemaal zijn ze geboren buitenstaanders, lusteloze en verveelde types die haken naar iets hogers: een Daad die karakter toont, een Leven met meer klasse, een Liefde die alles overstijgt. En allemaal zijn ze gedoemd, of komen ze na vruchteloos pogen weer terug op het punt waar ze zijn vertrokken. Dromers blijven ze, zij het geen bijzonder aardige dromers.

Felix Favonius lijkt aanvankelijk de kwaadste niet. In het eerste hoofdstuk van Favonius wordt de bijna-veertiger door de verteller voorgesteld als een man `die zijn plaats in de wereld heeft veroverd en – zo te zien – de tekenen van zijn tijd verstaat.' Hij is getrouwd met een mooie vrouw, werkt voor een vastgoedfirma (consequent de company genoemd), en wordt naar een stadje in een uithoek van het land gestuurd om kwartier te maken voor de bouw van een luxe wooncomplex. Op weg daarnaartoe strandt hij door aanhoudende regen met zijn auto in de modder, en komt hij terecht in een eigenaardige herberg in een dito dorpje. Hij is afgesloten van de buitenwereld, zelfs zijn mobiele telefoon doet het niet.

Hoe kort Favonius' verblijf in `Overlethe' ook duurt, het is lang genoeg om de lezer het idee te geven dat we hier te maken hebben met een moderne variant op Das Schloss van Franz Kafka. De sneeuw is regen geworden, de landmeter een projectontwikkelaar, maar de surreële sfeer en de moeizame relaties van de hoofdpersoon met de dorpsbewoners zijn dezelfde. SchRÖder houdt ervan om de confrontatie aan te gaan met de klassieken uit de wereldliteratuur. Zo beschrijft hij een onheilspellende scène tijdens Favonius' eerste nacht in het hotel die doet denken aan het begin van Wuthering Heights. Vijftig bladzijden later varieert hij op een beroemd verhaal van Nathaniel Hawthorne over een man die zijn eigen vrouw bespiedt. En tegen het eind van de roman voegt hij zich in het koor van schrijvers die geprobeerd hebben om de associatieve monoloog van Molly Bloom aan het slot van Ulysses te pasticheren.

Overspelige vrouw

Maar ik loop op de feiten vooruit. De monoloog van Favonius' vrouw Vita is de gedachtestroom van een overspelige vrouw, en het is de ontdekking van dat overspel die de roman na een bladzijde of negentig richting geeft. Het moment waarop Favonius, onverwachts thuisgekomen, ziet hoe zijn vrouw `het stijve geslacht' van zijn beste vriend Garmer in haar mond neemt, verandert zijn leven. Wég is het `lichte onbehagen dat een mens altijd vergezelt, dat meegroeit met de wereld die zich in de loop der tijd voor je ontsluit.' Wég zijn de abstracte mijmeringen over zijn aangeboren passiviteit en zijn existentiële verveling. Als Favonius achtereenvolgens alle standaardreacties op het bedrog van zijn vrouw doormaakt – walging, ongeloof, onzekerheid, wraakzucht – leert hij zijn eigen schaduwgestalte kennen, `de ander die hij ook was.' Of zoals hij opmerkt tegen de agenten die later in het verhaal de moord op Garmer onderzoeken: `Het begint allemaal op de zevende trede van de trap en het eindigt ermee dat je niets meer van de wereld begrijpt omdat alles anders is dan je denkt.'

Het sterven van Garmer is trouwens bijzaak in Favonius, hoewel het de verhouding tussen de hoofdpersoon en zijn vrouw nog verder op scherp zet. SchRÖder is vooral geïnteresseerd in de tweede ik die diep in Favonius woelt, `die ander' die onder `het beetje beschaving' verborgen zit. Hij verbindt Favonius' blootlegging van zijn eigen duistere kanten (gevoelloosheid, sadisme, moordzucht) met het klassieke dubbelgangersmotief. Gaandeweg wordt duidelijk dat er in Overlethe, waarnaar Favonius blijft terugkeren, iemand rondloopt die angstaanjagend veel op hem lijkt. Als hij deze Alberik, een rijke gangsterbaas, ontmoet, krijgt hij van hem te horen: `We lijken op elkaar, maar zijn niet gelijk [...] Ik ben een ander, en toch een die jij ook bent.' Dat Favonius uiteindelijk niet zwicht voor zijn andere ik, zou je als de optimistische uitkomst van de roman kunnen beschouwen. Maar daar staat tegenover dat Favonius, net als de andere helden van SchRÖder, als mens geen stap verder komt. Niet voor niets is een van de steeds herhaalde zinnnetjes in de roman `Wir setzen das Programm fort' – of, zoals het laatste hoofdstuk van de roman heet: `Het programma wordt voortgezet.'

In de `verantwoording' bij Favonius schrijft SchRÖder dat de roman verwant is aan Raaf en Grover, `zonder dat er evenwel sprake is van een trilogie in de klassieke zin.' De overeenkomst zit hem in de thematiek van de boeken, in de tijdloze setting, in de geestverwantschap van de hoofdpersonen en in de licht-archaïsche schrijfstijl van SchRÖder. Favonius is geschreven als een moderne negentiende-eeuwse roman, met een alwetende verteller aan het begin, overspel als thema, de Doppelgänger als motief, en plaatsnamen die anoniem gemaakt zijn door alleen een initiaal en drie sterretjes te vermelden; bij wijze van grapje is zelfs de spelling – zonder de tussen-n – ouderwets gehouden.

Maar is Favonius ook een indrukwekkende roman? Niet echt. Ik heb zeker genoten van SchRÖders sensitieve, impressionistische proza, van zijn minutieuze beschrijvingen van landschappen en weersgesteldheden, en van zinnen als `achter de kastdeur wist hij de schimmel die zich over de muren en het plafond als een vuile archipel van zwartgroene plekjes had uitgezaaid, mogelijke bruggehoofden voor toekomstige schaalvergroting.' En ik heb ook bewondering voor SchRÖders vakmanschap in een roman waarbij de literatuurgeschiedenis weerklinkt en klassieke motieven vlotjes met elkaar verbonden worden.

Stuipen

Maar een boek bestaat niet bij constructie en stijl alleen, nog afgezien van het feit dat SchRÖder proza af en toe doorslaat in irritante barok, zoals in deze beschrijving van een orgasme: `Op dat moment baande het zich onverwacht onder uit zijn lichaam in enkele stuipen een weg naar buiten, waarop de dood volgde en de hemel openscheurde en zich in de laatste streep licht een landschap van roze en oranje schuim en bergen van stijfgeklopte room openbaarde en nog weer verder de bleekblauwe lucht boven de velden van de gelukzaligen en verder...' Wat ontbreekt in Favonius is een personage dat tot leven komt, een hoofdpersoon die de indruk geeft dat hij meer is dan een pion in het spel van de schrijver. Het laat me koud welke ontwikkeling Favonius wel of niet doormaakt; en zelfs dát was geen bezwaar geweest als zijn Werdegang met wat meer humor en relativering was beschreven.

Een beetje vaart, en dan vooral in het begin, had Favonius ook geen kwaad gedaan. Nu duurt het meer dan een kwart van het boek voor de centrale overspelscène aan bod komt, terwijl je die al lang ziet aankomen. Lezers die zich door de eerste tachtig bladzijden mijmeringen en omzwervingen van Favonius heenworstelen, zullen weemoedig terugdenken aan de spankracht van De hydrograaf. De bescheidenheid die SchRÖder in dat verhaal over een identiteitscrisis tentoonspreidde, is in Favonius ver te zoeken.

Allard SchRÖder: Favonius. Een burgerroman. De Bezige Bij, 344 blz. €19,90.