Ik daag Mubarak uit bij de verkiezingen

De democratische vernieuwing die de Egyptische president Mubarak heeft voorgesteld, kan met andere ontwikkelingen in de regio de Arabische Vrijheidslente stimuleren, meent Saadeddin Ibrahim.

Het verrassende besluit van de Egyptische president Hosni Mubarak om voor te stellen door middel van een grondwetswijziging directe presidentsverkiezingen met verscheidene kandidaten mogelijk te maken, kan een reuzenstap voor de democratie in Egypte en de rest van de Arabische wereld zijn.

Westerlingen die gewend zijn aan een pluralistische democratie, kunnen misschien maar moeilijk begrijpen wat een enorme verschuiving dit zou kunnen betekenen in een land dat al ruim 50 jaar gewend is aan een militair bewind.

Onder het huidige systeem kunnen de Egyptische burgers eens per zes jaar op de dag van een presidentieel referendum ja of nee zeggen tegen de enige naam die op het stembiljet komt te staan. Dit verklaart waarom iemand als Mubarak altijd meer dan 90 procent van de stemmen heeft gekregen, zij het bij een schamele opkomst. De Syrische en Iraakse sterke mannen hebben het met dit systeem nog beter gedaan, ongetwijfeld omdat zij eisten dat onderaan elk stembiljet naam en adres van de kiezer werd gezet.

Veel mensen hebben langdurig betoogd dat de democratisering in het Midden-Oosten niet ver zal komen, zolang Egypte niet volledig aan het proces deelneemt. Egypte kon niet echt een koers naar democratisering uitzetten zonder eerst zijn grondwet te wijzigen – teneinde de faraonische bevoegdheden van zijn president te beperken en grenzen aan zijn ambtstermijn te stellen. Tenslotte is Mubarak alweer 24 jaar president. De aankondiging dat hij presidentsverkiezingen met verscheidene kandidaten wil is dan ook een belangrijke eerste stap.

Het bewind denkt wellicht zijn voordeel met dit proces te kunnen doen, maar als mensen eenmaal het gevoel krijgen dat ze iets te zeggen hebben, zijn de gebeurtenissen misschien wel niet zo gemakkelijk meer te beheersen. De democratische geest is uit de fles.

In elk geval is Egypte niet het enige land in dit geplaagde gebied dat op het ogenblik de weg naar de democratie inslaat. Turkije aan de ene kant en Marokko aan de andere zijn al een eind op streek. De echte schokgolf lijkt ditmaal te zijn gekomen door de snelle opeenvolging en de positieve uitkomsten van de recente verkiezingen in Irak, Palestina en in mindere mate Saoedi-Arabië.

De ongekende demonstraties tegen de Syrische bezetting van Libanon na de moord op oud-premier Rafiq Hariri vertonen nog geen tekenen van verzwakking. De afgelopen weken hebben ook Egyptische oppositiegroepen steeds gewaagder betogingen en andere vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid georganiseerd.

De katalysator voor hun woede was de arrestatie en opsluiting, eind januari, van oppositieleider Ayman Nour, een man met een zwakke gezondheid. Het onhandige gedrag van de regering was een stimulans voor de beweging `Kifaya' (Genoeg), die een beëindiging van het bewind van Mubarak heeft geëist. Plotseling leek de volkswijsheid dat de Egyptenaren passief zijn – en bang om iets te ondernemen – niet meer op te gaan. Een alliantie van lokale, regionale en internationale krachten verenigt zich aan de oevers van de Nijl tegen de `tirannie uit gewoonte'.

Het bewind lijkt geschrokken van de druk die het volk de laatste tijd opeens heeft uitgeoefend. Een maand geleden nog maar deed Mubarak de roep om grondwetshervorming af als `onbenullig'. Maar welke combinatie van gebeurtenissen hem ook van mening heeft doen veranderen, het verkiezingsinitiatief dient met instemming te worden begroet. Het is een noodzakelijke – zij het nog ontoereikende – eerste stap om het stagnerende politieke systeem van Egypte te reviseren.

De Egyptenaren zijn inmiddels op hun hoede voor symbolische hervormingen àla Tunesië, waar president Zine el-Abidine Ben Ali via een karikatuur van een grondwetswijziging de deur leek te openen voor presidentsverkiezingen met verscheidene kandidaten, maar daarna een nepstrijd voerde met een paar `tegenstanders' die hij zelf had aangewezen. Bij eerdere Tunesische presidentiële referenda behaalde Bin Ali sinds jaar en dag 99 procent van de stemmen; nu 96 procent.

Laten we hopen dat Mubarak het ernstiger meent met zijn electorale hervorming. Als teken van oprechtheid moet hij de onmiddellijke vrijlating van Ayman Nour gelasten en maatregelen treffen ter beëindiging van de al 24 jaar durende noodtoestand, die in feite belet dat er een politieke campagne kan worden gevoerd.

Mubarak zou ook akkoord moeten gaan met een maximum van twee opeenvolgende termijnen van vijf jaar voor elke willekeurige president. Even noodzakelijk zijn maatregelen die vertrouwen wekken, waaronder een open en gelijke toegang tot de media, die op dit moment onder staatscontrole staan.

Ik heb aangekondigd dat ik van plan ben me bij de aanstaande presidentsverkiezing kandidaat te stellen, om zo de discussie over deze wezenlijke hervormingen te openen. Maar ik zou met plezier mijn leven als privé-burger weer opvatten, zodra dit najaar een open en vrije verkiezing wordt gewaarborgd. Als deze stappen in ernst worden gezet, zullen ze Mubaraks erfenis een ander aanzien geven. Samen met de gebeurtenissen in Libanon, Irak en Palestina zou dit wel eens de inleiding kunnen zijn van een Arabische vrijheidslente, die al zo lang op zich laat wachten.

Saadeddin Ibrahim is hoogleraar politieke sociologie aan de American University in Kairo. Ibrahim werd tot zeven jaar gevangenis veroordeeld in een volgens Amnesty International politiek proces om hem te straffen voor zijn mensenrechten-activisme. Zijn vonnis werd in 2003 herroepen. Op dit moment schrijft hij zijn gevangenismemoires.

© Project Syndicate 2005.