Hervormingswil

Twee grote Europese landen hebben moeite met het beweeglijker maken van hun economie. Duitsland kampt met toenemende werkloosheid, ondanks de beloftes en maatregelen van bondskanselier Gerhard SchRÖder om aan die stijging een einde te maken. Frankrijk was gisteren deels verlamd als gevolg van stakingen in het openbaar vervoer. Inzet van deze acties zijn de eisen tot loonsverhoging en behoud van de 35-urige werkweek, een sinds enkele jaren verkregen recht dat werknemers ongaarne inleveren.

Beide landen ondervinden net als Nederland dat hun verzorgingsstaat te duur is geworden; dat ze op de wereldmarkt aan concurrentiekracht inboeten en dat hun demografische probleem – de vergrijzing – noopt tot ingrijpen om erger te voorkomen. Het sociale stelsel moet dus hervormd worden, niet alleen in Frankrijk en Duitsland maar ook in andere hoogontwikkelde West-Europese landen. De tegenkrachten zijn echter sterk. Wat voor de een hervorming is, is voor de ander vernietiging van een grote sociale verworvenheid. Een patstelling dreigt, en daarmee vertraging en stagnatie.

De Duitse onmacht om iets aan de werkloosheid te doen is deze week treffend verwoord door het weekblad Der Spiegel. Op het omslag staat een uitlating van SchRÖder uit 1998, toen in Duitsland 3,9 miljoen mensen werkloos waren. ,,Als we het aantal werklozen niet merkbaar laten dalen, hebben we het niet verdiend herkozen te worden'', zei de kanselier destijds. Zijn saneringspakket, met zoveel moeite door de Bondsdag geloodst, heeft nog niet zichtbaar geholpen. In februari 2005 stond de meter op ruim 5,2 miljoen werklozen, een hard gelag in een jaar van regionale verkiezingen. Hoewel er nuances zijn, kennen Frankrijk, Nederland en België dezelfde problemen. Voor Frankrijk geldt dan nog dat de verplichte 35-urige werkweek, een socialistisch akkoord uit de rijke jaren negentig, een extra belemmering voor economische groei is.

Over elf dagen, op 22 maart, komen de politieke leiders van Europa bijeen voor economisch beraad. Hun doelstelling van vijf jaar geleden om van Europa de concurrerendste economie ter wereld te maken, bleek veel te hoog gegrepen. Een nieuw plan met minder actiepunten is in de maak, maar de doelstellingen kunnen alleen worden gehaald als de methode daarvoor minder vrijblijvend is, schreef de Belgische premier Guy Verhofstadt gisteren op de opiniepagina van deze krant. Hij bepleit een ,,gedurfde communautaire aanpak'', zoals met de euro, om de Europese economie weer op peil te brengen. Zijn `vijfsporenplan' oogt aantrekkelijk, maar gaat voorbij aan de wil tot hervormen bij politiek en burgers in de afzonderlijke lidstaten. Daar staat of valt alles mee – en die wil is niet `communautair' af te dwingen. Een Vlaamse vakbond die loonsverhoging eist, kijkt niet naar Brussel maar houdt rekening met zijn lokale achterban. Hier zitten de grootste obstakels voor verandering.

De Europese economie wordt gevormd door de economieën van de bij de Unie aangesloten lidstaten. Vele daarvan kampen met onderling vergelijkbare moeilijkheden. Oplossingen zijn langer werken en hervorming – géén sloop – van het sociale model. Zolang de maatschappelijke aandrang daartoe onvoldoende is in Duitsland en Frankrijk en zolang politici er niet in slagen de noodzaak ervan over te brengen – zolang zal de Europese economie blijven haperen.