Heel even in het paradijs kijken

Oud-topman Jaap van Duijn van Robeco heeft over het beleggingsfonds een boek geschreven. Doet de professionele belegger het beter dan de gewone man? Nee!

Beleggers zijn optimisten van nature, maar ach, ach, ze tobben wat af. Wat doet de dollarkoers? Is de rente springerig? Wat is het volgende bedrijfsschandaal? Verschuift een cruciale grondstoffenmarkt?

Begin 2000 piekten de koersen van aandelen van de media-, internet en telefoonbedrijven, met als blikvanger de Amerikaanse schermenbeurs Nasdaq, het centrum van de technologie-aandelenhandel. Technologische beloften en massale kapitaalstromen, waaronder geld uit miljoenen kleine beurzen van het volkskapitalisme, kwamen in een beurshausse, een bull market. Op 9 maart 2000 sloot de graadmeter van de Nasdaq beurs voor het eerst boven de 5.000 punten.

,,Dat was het einde van de bull market. We mochten heel even in het paradijs kijken, maar toen ging de deur weer dicht'', schrijft Jaap van Duijn, voormalig topbelegger van het Robeco beleggingsfonds, in Met gemak betrouwbaar beleggen. Het verhaal van Robeco.

Geld beleggen is niet alleen leven en sterven, maar het mengt zich ook met hogere, ja bijbelse waarden: het paradijs, de zondeval (koersval?), een glimp opvangen van het beloofde land en dan decennia lang dolen in de wildernis van de verdorde financiële markten.

De uitbundigheid van die maanden in 2000 is een uitzondering in een nuchter, om niet te zeggen ontnuchterend boek over professioneel vermogensbeheer gedurende 75 jaar Robeco Groep. Robeco was en is nog steeds synoniem met beleggingsfondsen. En de naam Van Duijn is synoniem met een belegger die `het' kan vertellen. Hij is columnist van deze krant geweest en schrijft ook al jaren voor Robeco's eigen magazine, Safe.

Dit boek heeft een handicap: het is drie in één. Het is bedrijfsgeschiedenis, soms memoires en een how to boek: waar moet een consument op letten als hij de aanschaf van een beleggingsfonds overweegt. Het beste uit de verf komt de eerste: het verhaal van de opkomst en het succes van Robeco, eerst een beleggingsfonds van rijkelui uit Rotterdam en omgeving, later een heel conglomeraat van fondsen. Vooral zijn schets van de beginjaren is aandoenlijk. Zeven Rotterdamse ondernemers, waaronder puissant rijke mannetjesputters als D.G. van Beuningen (Steenkolen Handelsvereeniging) en K.P. van de Mandele (Rotterdamsche Bankvereeniging) beginnen net na de top van de aandelenmarkt in 1929 met een beleggingsfonds, het Rotterdamsch Beleggingsconsortium. Een van hun volgende geldschieters, met maar liefst 300.000 gulden, is de Nationale Levensverzekeringsbank, die later met de Nederlanden van 1860 tot Nationale-Nederlanden fuseerde en nu de kern is van ING.

Van Duijn heeft de volledige beleggingsportefeuille van het eerste uur opgediept, vol namen van bedrijven die al lang niet meer bestaan, of niet meer zelfstandig zijn, zoals de Amsterdamse Lettergieterij Tetterode, Twijnstra's Oliefabrieken, Ver. Kon. Papierfabr. Van Gelder Zoonen, de Nederlandsch-Indische Spoorwegmij en Blaauwhoedenveem-Vriesseveem. Hij heeft ontdekt dat in al die jaren slechts twee aandelen altijd in portefeuille zijn gebleven: Koninklijke Olie en de Amerikaanse General Electric, toen een nutsbedrijf, nu een financieel-industrieel conglomeraat.

Robeco's beginjaren waren een drama. Na twee jaar beleggen was van de oorspronkelijke 1,8 miljoen gulden inleg al ruim 1 miljoen gulden verloren gegaan als gevolg van voortdurende koersverliezen in de grote depressie van de jaren dertig. ,,Met de kennis die wij nu hebben zouden zij geen Rotterdamsch Beleggingsconsortium hebben opgericht'', schrijft Van Duijn. Sterker nog: nu zou het fonds na een paar jaar zijn opgeheven of samengevoegd met een ander fonds, zoals de Robeco Groep dat tegenwoordig doet.

Van Duijn zelf komt in 1983 binnen. Hij was hoogleraar aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit. In 1988 wordt hij de topbelegger, vanaf 1995 leidt hij ook het Robeco beleggingsfonds, omdat dat ook de gewoonte was bij grote Amerikaanse concurrenten: de eerste belegger beheert zelf een groot fonds.

Enkele persoonlijke anekdotes, zoals een Lost in translation-gevoel tijdens de beurscrash van 1987 op een hotelkamer in Tokio, smaken naar memoires, maar de lezer wordt verder weinig wijzer over persoonlijke drijfveren, succes en mislukking of de gang van zaken in de directiekamers van Robeco. Van Duijn noemt wel de ,,levendige debatten'' met ,,twee van de grootste conjunctuureconomen van de naoorlogse generatie'' die commissaris waren bij het fonds, Jelle Zijlstra (ex-minister-president, ex-De Nederlandsche Bank) en Johan Witteveen (ex-minister van Financiën, ex-IMF-chef). Maar hij vertelt niet waarover het dan ging.

Van Duijns tijd in de directie valt samen met ingrijpende verschuivingen in de beleggingswereld. Professionele beleggers van pensioen-, verzekerings- en volkskapitaal gaan zich steeds meer concentreren op beursgraadmeters, die zij zeggen te willen verslaan. En de vergoedingen voor het beheer van de gelden worden steeds hoger – niet omdat de beleggers zoveel beter worden, maar omdat de beheerder dat geld nodig heeft als betaling aan banken en andere tussenpersonen om zijn beleggingsfonds te verkopen. Robeco, ooit opgericht als coöperatie van vermogenden, gaat ook die weg, als dochter (sinds 1996) van de coöperatieve Rabobank. In 1994 was de beheervergoeding 0,25 procent van het vermogen, nu 1,0 procent. Dat is nog eens inflatie.

De Robeco Groep wordt een producent en verkoper van beleggingsfondsen, die ook nog beheerd moeten worden. Maar door de oplopende beheervergoedingen wordt het voor de beleggers steeds moeilijker om te doen wat zij zeggen te doen: de beursgraadmeters verslaan. Die graadmeters kennen geen aan- en verkoopkosten en beheerpercentages. Van Duijn klaagt er wel over in zijn boek, maar deed hij dat in zijn tijd als belegger ook publiekelijk? Hij vertrekt in 2003, op zijn zestigste, als beheerder van Robeco, maar blijft beleggingsstrateeg van de groep.

De hamvraag, `beleggen professionele beheerders beter dan de gewone man?', wordt niet beantwoord in het voordeel van de kenners. Professionele beleggers blijken net zo te reageren als Piet Particulier. Ja, biecht Van Duijn op, hij had zijn eigen becijferingen begin 2000 moeten volgen en alle technologieaandelen moeten verkopen. En ja, hij onderschatte de lengte van de daaropvolgende periode van koersval en malaise.

Jaap van Duijn: Met gemak betrouwbaar beleggen. Het verhaal van Robeco, uitg. Walburg Pers, 304 blz., €17,95.