Geknuffel in de contramine

Salvador Dalí maakte een logo van zijn eigen gezicht. Hij stapte moeiteloos over van elite- naar massacultuur en weer terug.

In de loop van 1930 schept Salvador Dalí het grootste kunstwerk uit zijn carrière: zichzelf. Dalí is 26 op dat moment en veel opmerkelijks heeft hij nog niet gepresteerd een typisch geval, zo lijkt het, van veel ego en weinig talent. Hij is op zijn 22ste van de Academie in Madrid gestuurd, nu maakt hij illustraties voor tijdschriften en schildert hij, in een stijl die je op z'n vriendelijkst als `zoekend' zou kunnen omschrijven: soms realistisch, dan weer kubistisch of futuristisch. Een oog voor mensen heeft hij wel: al op de academie raakt hij bevriend met de schrijver Federico Garcia Lorca en de cineast Luis Buñuel, twee van de meest getalenteerde Spaanse kunstenaars van de vorige eeuw.

In 1930 gebeuren er echter drie dingen die Dalí's toekomst bepalen. Eerst krijgt hij een solotentoonstelling in Parijs, met onder andere het schilderij `Het Heilige Hart', waarop in het Frans de tekst `Soms spuug ik voor mijn plezier op het portret van mijn moeder' te lezen valt. Ook komt hij in contact met de surrealistische beweging van André Breton (al in datzelfde jaar zal hij de voorkant voor Brétons tweede `Surrealistisch manifest' ontwerpen). En hij ontmoet zijn toekomstige vrouw Gala. Die is op dat moment weliswaar nog getrouwd met Paul Eluard, maar dat kan beiden weinig schelen; de coup de foudre is zo groot dat Gala Eluard meteen verlaat om de rest van haar leven aan Dalí te wijden. Toch is dat niet alles voor Dalí. Want ergens tussen die gebeurtenissen door vindt de verrijzenis plaats van ¡Salvador Dalí!, de beroemdste kunstenaar van de twintigste eeuw, het provocerende gezicht van het surrealisme, de ontwerper van de kreeftentelefoon en de Venus met de laadjes, de bedenker van de druipende horloges en de olifanten op muggenpoten. Het zelfverklaarde genie, de verpersoonlijking van de excentrieke kunstenaar, maar vooral: de kunstenaar die zijn werk lééft. Op bijna alle foto's vanaf dat jaar zien we dezelfde man. Aristocratische verschijning, het haar zorgvuldig met brillantine naar achteren gekamd. Steevast draagt hij een choker of een stropdas, maar opvallender zijn het ragfijne snorretje en de ogen die manisch uitpuilen richting camera, alsof hij zijn publiek wil tonen dat hij nergens bang voor is, de man is die alle ongeschreven grenzen overschrijdt. Die snor en ogen worden zelfs zijn handelsmerk; Dalí was de eerste kunstenaar die zijn gezicht modelleerde tot een logo. Daarmee was hij ook de eerste kunstenaar die moeiteloos de oversteek maakte van elite- naar massacultuur.

Juist dat beeld, van Dalí als serieuze kunstenaar die toch een groot publiek wist aan te spreken, is de bodem onder de expositie Alles Dalí, die nu te zien is in Museum Boijmans van Beuningen. Het is het tweede grote Dalí-overzicht in Boijmans; al in 1970 toonde het museum 32 schilderijen uit de collectie van Edward James, Dalí's bekendste mecenas. Maar de tijden zijn veranderd. Veel van die schilderijen hangen er opnieuw, maar dit keer zijn ze ingebed in een vloedgolf van foto's, objecten, stoffen, jurken, flessen, tekeningen en ontwerpen, meer dan vierhonderd in totaal, die de nadruk leggen op Dalí als producent van massacultuur. In die zin heeft de tentoonstelling wel iets van een statement: sinds Dalí is het onderscheid tussen hoge en lage kunst niet meer te maken, lijkt het Boijmans te willen zeggen. Alles Dalí is, geheel in die geest, dan ook vooral sfeer. De tentoonstellingszalen zijn mysterieus uitgelicht en Dalí's activiteiten worden niet chronologisch getoond, maar losjes op thema (fotografie, mode, film, theater) gerangschikt, waardoor er een gezellige visuele grabbelton ontstaat waar de toeschouwer naar hartelust doorheen kan dwalen. Zo zijn er fragmenten te zien uit films waaraan Dalí meewerkte (waaronder het beroemde doorgesneden oog uit Un chien andalou), maar ook de Mae West-lippensofa, schilderijen als `Het gezicht van de oorlog' en Shirley Temple, ontwerpen voor platenhoezen, cognacflessen en Perrier-verpakkingen en hilarisch pijnlijke tv-spotjes waarin Dalí onder andere reclame maakt voor Lanvin-chocolade en het Japanse automerk Datsun. Sommige van die werken zijn ronduit ergerlijk en aanstellerig, op andere momenten werkt Dalí's vrijheid aanstekelijk, zoals in sommige schilderijen of geweldige foto's als `Naakt met popcorn' en `Dalí Atomicus' waarop Philippe Halsman Dalí heeft vastgelegd als de kunstenaar die zwaartekracht en tijd tart door katten, popcorn en plenzen water te bevriezen in de lucht. Als je een tijdje op Alles Dalí rondloopt, ontkom je niet aan het gevoel dat Dalí zelf zich hier enorm thuis zou hebben gevoeld.

Knagen

Dat is op het eerste gezicht natuurlijk een hele prestatie van het Boijmans, maar toch blijft er iets knagen. Deze tentoonstelling voegt zich zo naadloos naar het beeld dat Dalí van zichzelf schiep dat je over hemzelf zelf niets wijzer wordt. Het is al opgemerkt: Dalí schiep zijn eigen mythe, en wie die mythe klakkeloos volgt, trapt in de meest voor de hand liggende val: dat de ware mythomaan zijn verhaal altijd boven de waarheid stelt. Niet voor niets publiceerde Dalí in 1942 La vie secrète de Salvador Dalí, waarin hij zichzelf al in zijn jeugd tot eeuwig en universeel genie uitriep, een beeld dat door zijn zus later krachtig werd bijgesteld.

Maar waar kwamen al die beelden, dromen, absurditeiten dan wel vandaan? What made Dalí tick? In de tentoonstelling en de catalogus worden wel suggesties gegeven, maar die houden opvallend weinig rekening met Dalí's eigen mythomanie. Er wordt bijvoorbeeld gesuggereerd dat Dalí leed aan serieuze existentiële twijfel, doordat zijn ouders hem dezelfde voornaam gaven als een jonggestorven broertje. Of lag het toch aan Gala, die in Dalí het perfecte vehikel zag om haar eigen eerzucht te bevredigen? Of was het gewoon de platte zucht naar geld en roem, die Dalí al onder de surrealisten de bijnaam `Avida Dollars' (een anagram van zijn naam dat `gek op dollars' betekent) opleverde? De vraag wordt nog eens extra relevant als je beseft dat Dalí niet alleen de eerste kunstenaar was die erin slaagde zich een populair imago aan te meten en zijn kunstenaarschap op grote schaal te verkopen, maar dat hij daarmee ook de godfather werd van hele hordes (semi)artistieke publieksbespelers die zouden volgen, of het nu Andy Warhol en Jeff Koons waren of Herman Brood en Peter Klashorst. Als je dus iets zou willen weten van Alles Dalí is het: hoe kwam Dalí erop zichzelf tot middelpunt van zijn eigen kunst te maken?

Maar daar begint de populaire aanpak van Alles Dalí zich te wreken. Wie achter de façade wil kijken, wie meer over de mythomaan wil weten dan hij zelf kwijt wil, krijgt het op deze tentoonstelling niet cadeau. Die moet goed kijken, door de barstjes in de make-up, de kieren in het imago en vooral naar de dingen en mensen die er niet zijn. Opvallend afwezig, bijvoorbeeld, zijn Dalí's collega-surrealisten. Dalí wordt tegenwoordig vaak beschouwd als een belangrijke surrealist, maar daarbij wordt meestal vergeten dat hij zijn uitpuilende ogen pas zes jaar na oprichting van de groep om de deur stak. Vermoedelijk had Dalí ook niet veel met de surrealisten als groepering of met hun theorie; maar herkende hij vooral iets belangrijks in hun denkwijze: de absolute vrijheid om te doen en te maken wat je wilt. Want dat was de belangrijkste doorbraak van het surrealisme: het geloof dat er een waarheid bestond die zich aan het oog en het directe bewustzijn onttrok, een werkelijkheid die voor anderen altijd oncontroleerbaar was. Een werkelijkheid dus die zijn overtuigingskracht volledig ontleende aan de vorm waarin ze werd gepresenteerd.

Voor degelijke surrealisten als André Breton, die zelfs in zijn slaap nog manifesten leek te schrijven, was die vrijheid een ernstige zaak, reden ook waarom ze als personen weinig opvallend, op de grens van kleurloos waren. Dalí echter proefde de vrijheid. Als surrealisme vooral een vorm van overtuigende presentatie was, waarom zou je daarin dan niet verder gaan? Waarom zou je, als je als kunstenaar het werkelijke, diepere functioneren van geest en wereld wil tonen, dat niet doen met je hele persoon? Zo transformeerde Dalí zichzelf in het eerste surrealistische personage en dat hij zo meteen een wandelende reclamezuil voor zijn eigen werk werd, was mooi meegenomen.

Tegenbeweging

Hoe slim en getalenteerd hij daarin was blijkt ook uit de wijze waarop hij gebruikmaakte van de avant-garde. Zoals iedere avant-gardebeweging ontstond ook het surrealisme aanvankelijk als een `tegenbeweging' die de bestaande kunst en de bestaande sociale conventies wilde ondergraven. Even slagen ze daarin, maar dan ziet de maatschappij de kracht van die ondergraving en gaat ze die incorporeren, opnemen, koesteren. Op dat moment moet de avant-garde kunstenaar kiezen: houdt hij vast aan de contramine, en blijft hij zoeken naar nieuwe wegen en vormen om de maatschappij met zichzelf te confronteren, of houdt hij vast aan zijn vorm en laat hij zich langzaam platknuffelen? Voor Dalí was dit vermoedelijk nauwelijks een dilemma. Hij was al niet echt een theoreticus, geen grondlegger van het surrealisme, en bovendien hunkerde hij naar erkenning en dus besefte hij al snel dat de stijl die begon als provocatie, als een vorm van epater le bourgeois, heel goed een persoonlijke melkkoe kon worden. Dat wordt op Alles Dalí weer wel goed zichtbaar. Als je goed kijkt, zie je al snel dat de meeste van Dalí's werken zijn gebaseerd op twee mechanismen: dat van de tegenstelling en dat van de doorredenering. Bijna al Dalí's surrealistische doeken bijvoorbeeld zijn gebaseerd op hetzelfde stramien: je neemt een kaal, verlaten landschap en plaatst daarin een tafereel dat gebaseerd is op een tegenstelling, liefst geladen met vertrouwd provocerende thema's als seksualiteit, dood, mythologie of religie. Zo ontstaat het portret van kindersterretje Shirley Temple als rode leeuw met vuige klauwen, of een doodshoofd dat is opgetrokken uit de lichamen van naakte vrouwen, of de tekening van een zoet babygezichtje met een dode zwarte rat in de mond. Die vorm was ook niet zozeer Dalí's kracht: dat zat 'm meer in het feilloos appelleren aan collectieve angsten en trauma's. Dalí had of een uitstekend instinct voor de menselijke ziel of hij had zijn psychoanalytici heel goed gelezen.

Waarschijnlijk was Dalí's grootste talent dat hij perfect wist in te spelen op de verlangens en de angsten van zijn publiek. Die beantwoordde hij niet alleen met zijn kunst, maar ook met zijn persoonlijkheid. In dat opzicht maakt Alles Dalí overigens terloops ook perfect het verschil duidelijk tussen kunst en amusement: kunst ontregelt, vermaak bevestigt. En juist die overgang ging bij Dalí opvallend snel: op het moment dat hij doorhad dat kunst hem rijkdom en populariteit konden brengen, transformeerde de kunstenaar zich in ijltempo tot de hofnar van het establishment eerst in Europa, vervolgens in Amerika, waar hij onder andere werkte met Alfred Hitchcock en Walt Disney. Op ontregelen was Dalí nauwelijks uit; hij was beter in het feilloos balanceren op het punt waar hij nog een kunstenaar leek, maar als goedbetaalde hofnar kon functioneren.

Dus kun je je afvragen: is dat erg?

Nee, dat is het niet, al is het maar omdat Dalí's talent om zo perfect het publiek te bespelen, over zoveel jaar, op zichzelf al grote bewondering verdient. Dalí was een rasmanipulator, zowel in zijn kunst als in zijn persoonlijk leven. Waar dat verlangen vandaan kwam (in zijn jeugd, in trauma's of verlangens) is na die constatering al een stuk minder interessant als er een kunstenaar heeft aangetoond hoe makkelijk de freudiaanse psychologie te sturen valt, is het Dalí wel.

Maar juist deze meta-manipulator komt op Alles Dalí nauwelijks naar voren. Sterker nog: ook Boijmans laat zich veel te gemakkelijk inpakken door de Dalí-mythe. Het museum heeft met Alles Dalí een groot Droste-beeld van Dalí's ideeënwereld geschapen. Het verlangen tot bevestiging, tot vermaak, tot versimpeling dat Dalí als eerste voorstond, is blijkbaar zo krachtig in de hedendaagse cultuur dat het museum er niet meer in slaagt zo'n fenomeen kritisch onder de loep te nemen. Wie nu door het Boijmans loopt, kan daar Dalí's dubbele overwinning aanschouwen. Met iedere foto, ieder beeld, iedere parfumfles, wordt zijn duivelse grijnslach breder.

Alles Dalí. T/m 12 juni 2005 in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di. t/m zo. 11-18u. Met Pasen en Pinksteren geopend, op Koninginnedag gesloten.

www.boijmans.nl, www.alldali.org