Een jaar na `11-M'

Vandaag een jaar geleden liet de fundamentalistische terreur voor het eerst grootschalig van zich horen in Europa. In Madrid werden in de ochtendspits vier forenzentreinen opgeblazen. De balans: 191 doden en 1.500 gewonden. De terreurdaad moest tot wanorde en verwarring leiden, maar een jaar na wat de Spanjaarden `11-M' noemen, luidt de conclusie dat de daders er niet in zijn geslaagd het land in chaos te storten. De Spaanse bevolking hield het hoofd koel. Xenofobe uitbarstingen tegen moslim-immigranten bleven uit. En in de moslimgemeenschap kwam een debat op gang hoe radicalisering tegen te gaan en integratie te bevorderen.

Die volwassen reactie contrasteert helaas scherp met de politieke verdeeldheid over de aanslagen. De organisatie die zich bekommert over de slachtoffers van de elfde maart zei eerder deze week alle herdenkingen af, omdat zij genoeg had van het politieke geruzie. Dieptepunt: de speciaal door de regering aangestelde en alom gerespecteerde commissaris voor de slachtofferhulp werd er in de Senaat door de conservatieve Partido Popular, die na de aanslagen de verkiezingen verloor, van beschuldigd terroristen in bescherming te nemen. De conservatieven weigerden als enige partij in te stemmen met een pakket veiligheidsvoorstellen van een parlementaire onderzoekscommissie. De partij vindt dat de aanslagen onvoldoende zijn onderzocht.

Daarbij wordt gesuggereerd dat de regering de waarheid over de aanslagen verdoezelt. Er zou een complot bestaan tussen moslimfundamentalisten, de Marokkaanse geheime dienst, de Baskische terreurbeweging ETA en de socialistische partij. Van dit alles is in het onderzoek geen bewijs gevonden. Wat daarentegen uit verhoren wel duidelijk werd, is dat de scheidende regering van José María Aznar na de aanslagen te lang volhield dat de ETA erachter zat, terwijl de politie reeds op de dag zelf rekening hield met terreur van radicale moslims. De binnen- en buitenlandse pers, de ambassadeurs en zelfs de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties werden door Aznars kabinet hardnekkig op het verkeerde been gezet. Wellicht dat dit gebeurde uit angst voor het effect van de aanslagen op de verkiezingen; wellicht uit onkunde en desorganisatie. Het maakt voor de politieke verantwoordelijkheid weinig uit. En dat had het Spaanse volk goed begrepen: Aznars partij werd weggestemd uit woede over het crisismanagement van de regering.

De nuchterheid van de Spanjaarden na de elfde maart 2004 is een voorbeeld voor Europa. In een tijd waarin het woord terrorisme op ieders lippen ligt en het politiek-maatschappelijke debat door wandaden van terroristen kan worden gedomineerd door hysterie, angst en politiek bedrog, is het van belang dat een bevolking beheersing toont. Dat de politiek op dat beslissende moment wankelde, is jammer voor ex-leider Aznar, die als premier zeker verdiensten had. Hij hult zich ten onrechte nog steeds in een verbitterd stilzwijgen, maar zijn aftocht geschiedde toch echt naar democratisch model. Pas als hij zijn politieke verantwoordelijkheid erkent, kan ook zijn partij `11-M' in waardigheid herdenken.