Een grotesk avontuur

Naar Oostland willen wij rijden, zongen Nederlandse nationaal-socialisten nadat Reichskommissar Seyss-Inquart in juni 1941 had opgeroepen de Germaanse cultuur te helpen brengen naar de door de Wehrmacht op de Sovjet-Unie veroverde gebieden. Onder Germaanse cultuur moest in dit verband worden verstaan: het scheppen van Lebensraum door middel van openlijk gepleegde massamoord op miljoenen joden en het in slavernij brengen van de overige bevolking. Enkele duizenden Nederlanders – het precieze aantal kan niet worden vastgesteld – hebben gehoor gegeven aan de oproep tot deelneming aan de kolonisatie van het oosten door het Herrenvolk.

David Barnouw, onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, heeft tijdens enkele reizen naar onder meer de Baltische landen en Oekraïne vrijwel vergeefs gezocht naar sporen van de economische activiteit van Nederlandse collaborateurs. Als journalistieke reportage heeft dit boek dan ook weinig te bieden, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door gedegen historisch onderzoek, helder en indringend beschreven. Pijnlijk dan weer, dat een register ontbreekt.

Aanvankelijk was de Nederlandse inzet bij de plundering van de Duitse veroveringen nog beperkt tot het sturen van boeren door een met Nederlandse overheidssteun opgerichte landbouwonderneming onder leiding van de directeur van de Nederlandsche Heidemaatschappij C. Staf, die het desondanks – typerend voor de Koude Oorlog – in vier naoorlogse kabinetten van 1951 tot 1959 heeft gebracht tot minister van oorlog en marine namens de Christelijk-Historische Unie.

In juni 1942 richtte de Staat der Nederlanden de Nederlandsche Oost Compagnie op, waarvan de tweede man van de NSB, Rost van Tonningen, president werd, en waaronder diverse dochtermaatschappijen schuil gingen. Al die ondernemingen werden bizarre mislukkingen. De oostvisserij op het Peipismeer tussen Estland en Rusland kwam neer op zwarte handel en dronkenschap; pogingen om Drentse turfstekers met joodse dwangarbeiders een veenderij te laten runnen in Litouwen werden door partizanen gedwarsboomd; de uitbating van voormalige kolchozen als feodale landgoederen liep stuk op financieel wanbeheer en misdragingen. Het boeren in Oekraïne en het baggeren op de Dnjepr was nauwelijks begonnen, of de oostlandrijders moesten zich hals over kop uit de voeten maken voor het Rode Leger. De top van de Oostcompagnie, een broeinest van onderlinge vetes en corruptie, weet het fiasco aan het eigen `slechte, niet-onderrichte menschenmateriaal'.

Dat `materiaal' bestond blijkens het relaas van Barnouw uit NSB'ers met pioniersgeest, avonturiers, mislukkelingen, zwarthandelaars en dieven. De centrale figuur was uiteraard Rost van Tonningen, die in het boek wordt gevolgd op zijn `dienstreizen' naar het oosten. Zijn avontuur heeft de Nederlandse staat twintig miljoen gulden gekost. De NOC maakte actief onderdeel uit van de meedogenloze Duitse uitbuiting van de veroverde gebieden in het oosten, inclusief het `Judenrein' maken van die gebieden. Een groteske episode, in ideologisch opzicht een hoofdstuk van de holocaust.

David Barnouw: Oostboeren, zee-germanen en turfstekers. Kolonisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bert Bakker, 187 blz. €15,–