Als klonen wegdromen

Mensen die niet beseffen in wat voor wereld ze leven, of dat besef krampachtig op een afstand houden; vrijwel alle personages in de romans van Kazuo Ishiguro slagen er niet in de werkelijkheid onder ogen te zien. Die werkelijkheid is meestal ook te pijnlijk – de atoombom op Nagasaki in A Pale View of Hills, de foute ideologie van de schilder in An Artist of the Floating World, de nazi-sympathieën van de Engelse Lord aan wie de butler Stevens zijn hele bestaan wijdt in The Remains of the Day. Bij Ishiguro leeft de mens in een staat van onwetendheid of ontkenning.

In zijn nieuwe roman, Never Let Me Go, gaat het om een groepje kinderen met wie iets vreemds aan de hand is. De verteller Kathy H. blikt terug op een verleden dat alleen in schijn op een normale kindertijd lijkt. Haar wereld was Hailsham, op het eerste gezicht een soort kostschool op het Engelse platteland, waar zij en haar medeleerlingen Tommy en Ruth een jeugd vol bijna magische rituelen doormaken. Ze worden aangemoedigd creatief te zijn en hun beste werk wordt in beslag genomen door de mysterieuze Madame, die ze opslaat in een nog mysterieuzer Gallery. Dit is geen normale school, dat wordt vanaf het begin duidelijk: contact met de buitenwereld is er niet, het speelgoed is tweedehands, ouders lijken niet te bestaan. De leraressen heten guardians. Een van hen, Miss Lucy, geeft de kinderen in een emotionele uitbarsting te verstaan dat hun halve waarheden verteld zijn, dat hun wereld anders in elkaar steekt dan ze denken.

De lezer heeft dan ook al begrepen dat tussen de vlakke, bijna lethargische toon waarop Kathy de emotionele ontwikkeling van de kinderen verhaalt en de ware toedracht een afschuwwekkende kloof gaapt. De kinderen worden klaargestoomd om eerst carer te worden, en daarna donor – wanneer ze als volwassenen een aantal `donaties' hebben gedaan, worden ze complete, wat een schrijnend understatement blijkt te zijn. Kathy en haar lotgenoten zijn namelijk menselijke klonen, die slechts dienen om verse organen te leveren; wanneer ze zijn leeggehaald in het ziekenhuis, hebben ze hun taak volbracht en mogen ze sterven.

Dat onwaarschijnlijke gegeven – niet het klonen zelf, maar de duivelse toepassing die de schrijver eraan geeft – wordt door Ishiguro nauwgezet ingevuld met een realistische weergave van de binnenwereld van Kathy en haar kompanen, die emotioneel met elkaar verstrengeld raken zoals normale kinderen en tieners. Ze kennen hun tragische situatie niet en wat ze instinctief aanvoelen, ontkennen ze door er naïeve dagdromen en absurde speculaties op na te houden. Ze gaan in de buitenwereld op zoek naar hun `possible', hun biologische alter ego, en zien tekenen van verlossing in het gedrag van hun voogden die er niet zijn. Uiteindelijk blijkt hun wereld, net als die van de personages in de andere romans van Ishiguro, onwrikbaar; de speelse, glorieuze verwachtingen waartoe ze in hun vroege, idyllische jaren op Hailsham zijn aangemoedigd zijn hopeloze illusies – in een nogal melodramatische scène wordt de hoop van de inmiddels volwassen klonen, die in de overtuiging leven dat hun liefde voor elkaar uitstel van executie kan betekenen, door hun voormalige voogden de grond in geboord.

Wat wil Ishiguro met zijn roman? Never Let Me Go is geen pamflet tegen het klonen van mensen. De schrijver heeft zijn kritiek geprobeerd in te bedden in een verhaal over de kwetsbaarheid van kinderen, overgeleverd aan krachten die ze niet kunnen bevatten; in die zin is de situatie van Kathy, Tommy en Ruth veel meer een metafoor voor de verbeten blijmoedigheid waarmee zoveel kinderen een onmogelijk leven proberen te leven. De passages waarin de kinderen zich instinctief verzetten tegen hun lot, wanneer ze zich te buiten gaan aan fantasieën over mogelijkheden die niet bestaan, zijn zeker geslaagd; het zijn ook de enige passages waarin deze roman tot leven komt.

Want zo goed als Ishiguro is in het gedetailleerd uitwerken van die verbeten illusies waarmee mensen zichzelf op de been proberen te houden, zo onbeholpen is hij wanneer het erom gaat zijn verhaal een overtuigend raamwerk te geven. Wie zijn romans achter elkaar zet, ziet dezelfde intense thematiek verpakt worden in steeds uitzinniger bedenksels; zijn eerste twee romans zijn door hun onderhuidse tragiek nog altijd zijn beste.

Het pathos dat er aan het einde van Never Let Me Go bij de lezer wordt ingeramd bezorgt je plaatsvervangende schaamte. De uiteindelijk helemaal niet zo mysterieuze Madame spreekt aan het einde van de roman voor de auteur zelf, wanneer ze uitlegt waarom ze eens in tranen uitbarstte bij het zien van een jonge Kathy die met een kussen in haar armen danste op een liedje van de Engelse crooner Judy Bridgewater (`Never Let Me Go'): `I saw a new world coming rapidly. More scientific, efficient, yes. More cures for the old sicknesses. Very good. But a harsh, cruel world.' Wat daarna komt, is nog larmoyanter. Waar Ishiguro pathos nastreeft, ziet deze lezer enkel sentiment.

Kazuo Ishiguro: Never Let Me Go. Faber & Faber, 263 blz. €20,15. Vertaald door Bartho Kriek als Laat me nooit alleen, Atlas, 304 blz. €19,90