Alle cartoons uit The New Yorker, maar niet op papier

De tekenaars van The New Yorker worden vaak genoemd als voorbeeld door hedendaagse tekenaars. De zwierigheid van met name het werk uit de eerste decennia van het tijdschrift hebben bijvoorbeeld Charles Berbérian (Mijnheer Johan) of Seth gevormd. In het luxe uitgegeven overzichtsboek over tachtig jaar cartoons uit The New Yorker zijn al die oude tekeningen te zien. Niet elke cartoon die ooit is vervaardigd heeft de papieren versie gehaald, want in totaal zijn er 68.647 gemaakt. De duizenden cartoons die overbleven staan op twee cd-roms.

Het boek is opgedeeld in decennia en elk nieuw tijdperk wordt ingeleid door iemand die probeert de vinger te leggen op wat kenmerkend is voor die periode. Vooral de beginjaren zijn exotisch. Dat merk je niet alleen aan de onderwerpen zoals beurskrach of oorlog, maar aan het gedrag van de personages van de tekenaars. Peter Arno is daar een goed voorbeeld van. Hij concentreert zich op snobistische types op cocktailparties of sigarenrokend in de herenclub.

Het duurt lang voordat The New Yorker meer anti-establishment wordt. Zelfs in de jaren zestig bespeur je nog af en toe het conservatisme van de middenklasse. Iemand tegen een skiër met lang haar en een baard: `Ik wist niet dat jullie soort mensen dit óók deden!' Via de jaren zeventig (hippievrouw in een modewinkel: `Ik wil weer normaal worden') en tachtig (`O nee! Hij houdt de white-collar speech voor een blue-collarpubliek!') komen we in de jaren negentig. Die worden omschreven als `meest welvarende en belachelijke periode'. De grote krachtproef voor cartoonisten moet dan nog beginnen: de verwerking van de aanslag op de Twin Towers. Maar na 650 bladzijden heb je dan met een glimlach bijna de hele twintigste eeuw voorbij zien trekken. Goed getekend, vol vileine humor en met veel tijdloze, originele grappen van de wereldtop van de cartoonisten.

The complete cartoons of the New Yorker. Black Dog & Leventhal publishers, 656 blz. €50,– (met 2 cd-roms)