Zaak-Savanna: zware kritiek op Jeugdzorg

Het Bureau Jeugdzorg Noord-Holland heeft ,,onbegrijpelijke fouten'' gemaakt bij de begeleiding van de moeder van het driejarige meisje Savanna, die volgens het openbaar ministerie haar dochter na zware mishandeling opzettelijk van het leven beroofde.

Dat concludeert de Inspectie voor de Jeugdzorg in een vandaag gepresenteerd onderzoeksrapport. Ondanks talrijke meldingen van kindermishandeling en gebrekkige opvoeding over het meisje heeft de gezinsvoogd zich steeds laten ,,leiden door het perspectief van de moeder'' en niet ingegrepen.

De voogd en de locatiemanager van het bureau zijn op non-actief gesteld. Tegen de voogd is een strafrechtelijk vooronderzoek ingesteld.

De inspectie houdt niet alleen de voogd verantwoordelijk voor de fouten. Bij de héle vestiging van het bureau ontbreekt het aan ,,tijdige controle en sturing''. Volgens hoofdinspecteur Joke de Vries ,,kon en moest de voogd solitair werken''.

De Vries: ,,Het ontbreekt aan kritische reflectie, waardoor er geen controle is op cruciale handelingen.'' De kinderen die beschermd moeten worden lopen daardoor ,,onaanvaardbare risico's.''

[Vervolg SAVANNA: pagina 2]

SAVANNA

'Justitie was op de hoogte'

[vervolg van pagina 1]

De 3-jarige peuter Savanna werd in september vorig jaar dood aangetroffen in de kofferbak van de auto van haar moeder en vriend. Haar moeder was op weg haar te begraven. Savanna bleek gestikt in een washand of sok. Al snel bleek dat de moeder onder toezicht van Jeugdzorg stond. Savanna bleek al eens uit huis te zijn geplaatst vanwege twijfels over de opvoedingscapaciteiten van haar moeder.

Zowel het Meldpunt Kindermishandeling, het consultatiebureau, de ggz en andere hulpverleners hadden bij de voogd meerdere keren melding gemaakt van vermoedens van kindermishandeling. Ook de voogd zelf constateerde verschillende malen blauwe plekken, waaronder eenmaal een ,,enorm blauw oog''. Omdat zij Savanna vaak zag vallen tijdens huisbezoeken, liet de voogd zich door de moeder overtuigen dat de blauwe plekken daarvan een gevolg waren. De voogd liet de moeder ook besluiten welke hulpverlening zij wel of niet wenste, een handelswijze die volgens de inspectie ,,onacceptabel'' is.

Het is overigens niet voor het eerst dat de inspectie het betreffende bureau onderzocht. Hoofdinspecteur De Vries ontkende echter dat de inspectie te passief had opgetreden. Van geconstateerde tekortkomingen was melding gemaakt bij het ministerie van Justitie. De inspectie verwacht de de provincie Noord-Holland, die nu de controle moet uitoefenen op de reorganisatie van het bureau, beter in staat is de problemen op te lossen dan het ministerie. Vooralsnog grijpt de inspectie daarom niet in.

De inspectie bekritiseert ook de Raad voor de Kinderbescherming ,,die willens en wetens deze wettelijke taak [het toetsen van het besluit om uit huis gehaalde kinderen weer terug te laten keren, red.] niet uitvoert''. De Vries pleitte ervoor om wettelijk te regelen dat het belang van het kind voorop staat bij de behandeling van gezingsproblemen. Volgens De Vries overheerst nu de ,,mentaliteit van het luisteren naar de ouders''.

Volgens Joep Verburgt, voorzitter van de Bureaus Jeugdzorg van de brancheorganisatie Jeugdzorg, is het geval niet symptomatisch voor de landelijke jeugdzorg. Hij beaamde dat er grote fouten zijn gemaakt, maar benadrukte dat het werk van een gezinsvoogd ,,lastig en ondankbaar is'' en dat het niet ,,de jeugdzorg is die kinderen vermoordt''.