Wat de Europese Unie deed na de aanslagen van 11 maart 2004

Twee weken na de aanslagen op 11 maart 2004 in Madrid hielden de leiders van de Europese Unie hun zogenoemde `voorjaarstop'. ,,De Unie en haar lidstaten verbinden zich ertoe alles in het werk te stellen om het terrorisme in al zijn vormen te bestrijden'', zo stelden de staatshoofden en regeringleiders van de (toen nog vijftien) EU-landen in een verklaring.

Een groot aantal maatregelen waarover reeds eerder in Europees verband afspraken waren gemaakt, diende volgens de Europese leiders voor 1 juni 2004 te zijn ingevoerd. Dat gold onder andere voor de invoering van het Europees arrestatiebevel, de oprichting van gemeenschappelijke onderzoeksteams, de oprichting van een gezamenlijk opsporingsapparaat (Eurojust) en het nemen van specifieke maatregelen voor het bestrijden van het witwassen van geld.

In de persoon van de Nederlander Gijs de Vries werd een speciale Europese coördinator terreurbestrijding aangesteld. Die zag dat veel van de voorstellen toch niet op tijd in wetgeving was omgezet. Vooral Griekenland en Italië liepen achter bij het aanpassen van hun wetgeving.

,,Europese antiterreurwetgeving wordt soms net zo behandeld als de harmonisatie van de wielafstand van landbouwtrekkers'', zei De Vries eind september vorig jaar in een vraaggesprek met deze krant.

Europees Commissaris Frattini van Justitie zei gisteren tijdens een persbijeenkomst in het Europees Parlement in Straatsburg aan de vooravond van de eerste verjaardag van de aanslagen in Madrid, dat hij de komende maanden zal gaan werken aan een zogeheten ,,beleidsstrategie''. Een belangrijk aspect daarbij is het aankweken van bewustwording onder de bevolking. Frattini benadrukte dat in de strijd tegen het terrorisme de fundamentele rechten van het individu niet in de knel mogen raken.