Verdeel en heers

Dezer dagen zijn miljoenen mensen zich even wat scherper bewust van hun financiële bijdrage aan de publieke voorzieningen. Vóór 1 april moet de aangifte voor de inkomstenbelasting de deur uit zijn. Veel belastingplichtigen rekenen na hoeveel zij via deze heffing afstaan aan de staat. Over inkomen uit eigen woning en werk (box I) is niet alleen inkomstenbelasting, maar ook premie voor de volksverzekeringen verschuldigd. Door het progressieve tarief loopt het bedrag van de aanslag snel op. Mensen met een jaarinkomen van 30.000 euro zijn daarvan al 30 procent kwijt, wie 50.000 euro verdient staat 35 procent af, bij een euroton gaat meer dan 43 procent naar de fiscus. Sinds 2001 – toen het toptarief is verlaagd tot 52 procent – dragen ook grootverdieners hooguit de helft van hun arbeidsinkomen af.

Het blijft niet bij heffingen over het inkomen. Wanneer gezinnen geld uitgeven, klopt de fiscus opnieuw aan: omzetbelasting (19 procent, en voor sommige eerste levensbehoeften 6 procent), accijnzen, motorrijtuigenbelasting en ga zo maar door. Gemeenten laten zich evenmin onbetuigd. Onlangs viel de aanslag onroerendezaakbelasting in de bus. Burgers die de moeite zouden nemen alle opgelegde belastingen te turven, ontdekken dat de overheid tussen de helft en twee derde van hun bruto-inkomen afroomt.

Anders dan mopperaars menen, verdwijnt dat geld niet in een bodemloze put. Het komt weer bij de belastingbetalers terug, bijvoorbeeld in de vorm van politiebescherming, voorzieningen voor gehandicapten en gratis onderwijs voor kinderen tot zestien jaar. Verder is zestig miljard euro bestemd voor uitkeringen, van de AOW voor ouderen tot bijstand voor drugsverslaafde zwervers.

Van ieder huishouden kan de nettopositie worden bepaald: hoeveel belasting en sociale premie gaat naar de schatkist, en welk profijt van de overheid staat daar tegenover. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft enkele malen zo'n exercitie gedaan. Op basis van hun inkomen zijn alle huishoudens in een lange rij gezet: de beroemde parade van Pen (de econoom Jan Pen heeft zo'n dertig jaar geleden dit beeld gelanceerd).

Eerst komen de `dwergen' met een laag inkomen voorbij. Deze armste veertig procent van de huishoudens verdient amper 11 procent van het totale nationale inkomen. Het gaat vooral om niet bij het productieproces ingeschakelde uitkeringsontvangers, studenten met een bijbaantje en zo meer. De twintig procent van de huishoudens met de hoogste inkomens (de `reuzen') verdient de helft van het nationale inkomen. Via belastingen, het stelsel van sociale zekerheid en profijt van andere overheidsvoorzieningen weet de overheid de inkomensverschillen in Nederland aanzienlijk te verkleinen. Het aandeel van de dwergen in het verdiende inkomen stijgt van 11 procent naar 18 procent in het herverdeelde inkomen. Het aandeel van de reuzen krimpt juist van 50 tot 41 procent.

De becijferingen van het SCP zijn gedaan met inkomensgegevens voor één jaar. Vergelijkbare berekeningen zijn mogelijk door te letten op het levensinkomen: de contante waarde van alles wat iemand in zijn leven verdient. Levensinkomens zijn minder scheef verdeeld dan jaarinkomens. Mensen die tijdelijk een laag inkomen hebben – door studie of tijdelijke werkloosheid – weten dit vaak te compenseren in tijden dat ze een goed inkomen hebben. Het Centraal Planbureau (CPB) denkt dat over het gehele leven gezien tweederde van de welvaartsstaat neer komt op herverdeling van mensen naar zichzelf, bijvoorbeeld van goede naar slechte tijden of via regelingen waarvoor iedereen eerst betaalt maar die later ook aan iedereen ten goede komen, zoals de AOW.

Dat geld rondpompen van vestzak naar broekzak van dezelfde burgers is niet efficiënt. Want voor pogingen inkomensverschillen te verkleinen wordt een prijs betaald. Dit is intuïtief aannemelijk. Stel dat de overheid ernaar zou streven alle inkomensverschillen te egaliseren. Wie meer uren werkt, of investeert in zijn opleiding en carrière, gaat er dan geen eurocent op vooruit. Het zou de nekslag voor onze economie betekenen. Bij zwakkere vormen van herverdeling treden vergelijkbare effecten in mindere mate op.

Gelet op het prijskaartje dat aan nivellering hangt, oppert het CPB in een recente notitie dat de overheid de herverdeling misschien beter kan baseren op verschillen in levensinkomen in plaats van jaarinkomen. Zo valt veel te bezuinigen. Er hoeft immers minder publiek geld naar mensen die slechts tijdelijk een laag inkomen genieten zoals studenten in het hoger onderwijs of mensen die kort werkloos zijn. Door de toegenomen welvaart van ouderen komt bijvoorbeeld ook een steeds groter deel van de AOW-uitgaven ten goede aan senioren die over voldoende eigen middelen van bestaan beschikken. Is dat wel nodig? Mochten politici besluiten zich sterker te richten op de nivellering van levensinkomens, dan kan ook de belastingdruk omlaag. Daar profiteert iedereen van.

Het nadeel van de CPB-suggestie is evident: naarmate minder mensen profijt van de overheid hebben, brokkelt de steun voor de welvaartsstaat af. Nu is de AOW erg populair: iedereen hoopt er te zijner tijd van te genieten. Zou de AOW alleen naar mensen gaan die onvoldoende hebben gespaard, dan wordt het basispensioen omstreden. Bovendien krijgen mensen de verkeerde prikkel: sparen voor de oude dag wordt bestraft door korting op de AOW-uitkering. Politici die de gunst van de kiezers niet willen verspelen, kunnen beter afstand houden tot de ideeën van het Planbureau. Motto: verdeel (ruimhartig) en heers!