Uitleveren gevangenen is eufemisme voor martelen

Gevangenen naar landen sturen waar zij gemarteld worden en dat verdedigen onder het mom dat zij dan niet meer onder de Amerikaanse grondwet vallen, is een drogredenering, meent The New York Times. Maar stel dat Mohammed Atta op tijd was gepakt en uitgeleverd zodat 9/11 wellicht voorkomen had kunnen worden, vraagt David Ignatius zich af.

Foltering is immoreel en onwettig, en een beschaafde maatschappij kenmerkt zich onder meer door te weigeren wrede verhoortechnieken toe te staan. Maar dit strenge morele argument is niet per se van toepassing op de praktijk die als `bijzondere uitlevering' bekendstaat.

Uitlevering is de klinische CIA-term voor de praktijk waarbij gevangen verdachten van terrorisme voor verhoor naar andere landen worden gestuurd. Omdat sommige van die landen gevangenen martelen en omdat een aantal van de vermeende terroristen dat door de Amerikaanse inlichtingendienst CIA is `uitgeleverd' naar eigen zeggen inderdaad is gemarteld, worden in de discussie uitlevering en marteling meestal op één hoop geveegd.

De indruk ontstaat dat de CIA mensen naar Egypte, Jordanië of andere landen in het Midden-Oosten stuurt omdát ze daar gemarteld kunnen worden en zo inlichtingen prijsgeven die ze anders niet zouden loslaten.

Het probleem met deze redenering is dat ze ervan uitgaat dat martelen volgens de CIA doeltreffend is. Maar in de dertig jaar dat ik over het inlichtingenwerk schrijf, ben ik nog nooit een geheim agent tegengekomen die níet inzag dat martelen meestal averechts werkt. Beroepsspionnen weten dat gevangenen onder hevige pijn alles bekennen. Door marteling verkregen inlichtingen zijn dan ook niet alleen immoreel, maar vaak ook onbetrouwbaar.

De onbetrouwbaarheid van marteling als verhoortechniek werd vorige maand krachtig verwoord door Jane Mayer in een artikel in de New Yorker. Ze beschreef het geval van Maher Arar, een in Syrië geboren verdachte van terrorisme die in september 2002 werd gepakt op Kennedy Airport in New York, terwijl hij terug wilde reizen naar Canada, waar hij woonde.

In het kader van de `buitengewone uitlevering' werd hij door de CIA naar Syrië gestuurd en volgens zijn verklaring herhaaldelijk op zijn handen geranseld met vijf centimeter dikke elektriciteitskabels.

,,Hoewel hij aanvankelijk zijn onschuld probeerde vol te houden, bekende hij uiteindelijk alles wat zijn folteraars van hem wilden horen'', schreef Mayer. Arar verklaarde zijn valse bekentenis als volgt: ,,Je geeft het gewoon op. Je wordt net een beest.'' De Syriërs kwamen uiteindelijk tot de slotsom dat Arar onschuldig was, en hij werd zonder aanklacht vrijgelaten.

Wie zulke verhalen hoort vraagt zich af hoe iemand ooit voor uitlevering kan pleiten. Maar in de gesprekken die ik de laatste paar jaar met hoge CIA-functionarissen en de hoofden van een aantal Arabische inlichtingendiensten heb gevoerd, heb ik wel verklaringen gehoord waarom die praktijk wordt gevolgd.

Volgens hoge Arabische en Amerikaanse inlichtingenmensen levert het emotionele winst op om een gevangene voor verhoor naar zijn geboorteland over te brengen. Een gehard Al-Qaeda-lid kan fysiek vaak niet tot het prijsgeven van inlichtingen worden gedwongen, hoe smerig de ondervrager ook mag zijn.

Maar het lukt misschien wel als hij bijvoorbeeld wordt geconfronteerd met zijn moeder, vader, broer of zuster. Dit familiecontact is onmogelijk als hij in een oranje overall in een pakhuis in Guantánamo zit.

Ik vroeg het hoofd van een Arabische inlichtingendienst eens naar de wijdverbreide overtuiging in zijn land dat gevangenen werden gemarteld. De mensen noemden zijn hoofdkwartier ook wel de `nagelfabriek', zei ik, omdat ze ervan uitgingen dat er wrede methoden werden gebruikt, zoals het afrukken van de nagels van gevangenen.

Deze functionaris beweerde stellig dat marteling niet werkte. Hij noemde een reeks gevallen waarin gevangenen waren doorgeslagen dankzij zachtere en slimmere maatregelen – met behulp van familiedruk of, in één opmerkelijk geval, door een uitdagende, zelfingenomen gevangene te negeren totdat hij zowat eiste om verhoord te worden.

Het hoofd van een andere belangrijke Arabische inlichtingendienst legde uit hoe zijn mensen een Al-Qaeda-verdachte hadden kleingekregen die had geweigerd tegen de Amerikanen te praten; hun voornaamste `wapen' was naar zijn zeggen dat ze vijf keer per dag in 's mans aanwezigheid baden.

Deze verhalen over `vriendelijke' ondervragingen nemen niet weg dat bij uitleveringsgevallen afschuwelijke methoden zijn gebruikt. En in bepaalde gevallen had de CIA moeten weten dat marteling waarschijnlijk was – en het moeten tegenhouden. Geen enkel Amerikaans overheidsorgaan zou zich ooit blind mogen houden voor marteling. Maar ik denk wel dat we tegen marteling kunnen zijn en toch op omstandigheden kunnen stuiten waarin uitlevering misschien het aangewezen middel is.

Voordat al te gemakkelijk een oordeel wordt geveld over uitlevering, moet u antwoord geven op de prangende vraag die mij werd gesteld door een oud-CIA-medewerker: stel dat de FBI vóór 11 september 2001 Mohammed Atta had weten te pakken.

Volgens de wettelijke regels die toen in Amerika golden had de man die de zelfmoordaanslagen met de vliegtuigen beraamde waarschijnlijk niet in de Verenigde Staten vastgehouden of verhoord kunnen worden.

Zou het zinvol zijn geweest om Atta `uit te leveren' aan een oord waar hij zodanig had kunnen worden ondervraagd dat 11 september misschien zou zijn voorkomen? Ik vind die vraag niet eenvoudig te beantwoorden, ook al deel ik de overtuiging dat marteling altijd en overal verkeerd is.

David Ignatius is columnist.

© Washington Post Writers Group